DE WEERBAARHEID VAN DE BOSSEN IN ONS WERKGEBIED, KENMERK 18004

 


Bergen op Zoom, 18 augustus 2018

 

Aan het Dagelijks Bestuur van het

Waterschap Brabantse Delta

Per e-mail

 

Betreft:     De weerbaarheid van de bossen in ons werkgebied, kenmerk 18004
  

Geacht Dagelijks bestuur,

Er is bijna zes miljoen euro van de provincie en de Europese Unie beschikbaar voor het herstel van de Brabantse bossen. Maar niet voor ons (West-Brabant). Alleen op landgoed De Luchtenburg, nabij Ulvenhout, worden 6.000 van de één miljoen nieuwe bomen in Noord-Brabant geplant. De rest gaat naar Oost- en Midden-Brabant. Er zijn wel plannen voor de Brabantse Wal (162.000) bomen, maar deze grond is nog te ‘goed’.

De te planten loofbomen zijn bodemverbeteraars. De linde, de hazelaar, haagbeuken en fladderiepen gaan geplant worden. Juist de fladderiep zou een mooie aanvulling zijn voor ons gebied. Omdat de iepenspintkevers deze iepsoort nauwelijks aantasten, ontsnapt de boom aan deze ziekte. De bladeren van loofbomen composteren veel beter dan dennennaalden, waardoor de bodem veel beter in staat is om water, voedingsstoffen en mineralen vast te houden. Ook op bijvoorbeeld de Brabantse Wal is dat nodig om de waterhuishouding van het gebied te verbeteren en om veel verloren gegane en verdroogde natuur te laten herstellen. De droogte van deze zomer laat bij uitstek zien dat het de hoogste tijd is om ook de bossen in West-Brabant meer weerbaar te maken. Nu is het nodig dat de (zand)gemeenten in West-Brabant, samen met ons waterschap, de provincie laten weten dat we niet aan de achterste mem willen hangen, maar dat de besteding van de 6 miljoen euro en verloving van naaldbossen, zoals op de Brabantse Wal, meer gespreid over de provincie dienen plaats te vinden.

Bijvoorbeeld De Brabantse Wal lijdt onder de verdroging, onder andere door de waterwinning en de samenstelling van de bossen. Dat zou mee moeten wegen in de prioriteitsstelling. Nu is er geld en dat hoeft in een alsmaar veranderende politiek/bestuurlijke wereld niet zo te blijven. Dus geacht DB let op uw zaak en ga in Den Bosch eens goed aan de kast rammelen.

  • Is het DB bereid om het provinciaal bestuur te wijzen op de noodzaak/wenselijkheid ook de bossen in West-Brabant te verloven en meer weerbaar te maken?

In afwachting van uw reactie,

hoogachtend,

Namens de fractie Ons Water/Waterbreed

L.H. van der Kallen

 


OVER WATER – 150: DE ONTWIKKELINGEN VAN HET WEER IN DE 20E EEUW EN EEN GELEZEN BOEK

 

| 18-08-2018 | 15.00 uur |


 

OVER WATER – 150: DE ONTWIKKELINGEN VAN HET WEER IN DE 20E EEUW EN EEN GELEZEN BOEK

 

2018. Het lijkt een uitzonderlijk weerjaar te worden. Maar is dat ook echt zo? In mijn herinnering wel, maar ik ben pas 70 jaar oud en wat is mijn herinnering waard?

Ter ordening van mijn gedachten hier omtrent heb ik het boek gelezen: “Weer een eeuw”, geschreven/samengesteld door Harry Otten, Jacob Kuiper en Tom van der Speken en uitgegeven door Tirion. Het boek is een rijke bron van informatie over het weer in Nederland van 1900 tot 2000. Als je nu naar het nieuws over de ‘uitzonderlijk’ droge periode van 2018 kijkt, waarbij veel vergeleken wordt met 1976, denk je dat 1976 de maat der dingen is. Qua neerslag 536.3 mm was 1976 het op twee na droogste jaar van de eeuw. 1933 was nummer twee met 510,9 mm. Maar 1921 was pas echt droog met gemiddeld slechts 387.3 mm neerslag. 1976 was met 10,0 graden best een warm jaar, maar niet uitzonderlijk. Warmer waren 1934, 1949, 1959 (het zonnigste jaar: 1986,9 zonuren), 1982, 1983, 1988, 1989, 1990, 1992, 1994, 1995, 1997, 1998, 1999 (samen met 1990 was 1999 met gemiddeld 10,9 graden het warmste jaar van de 20e eeuw). Met 1814,4 zon uren was 1976 best zonnig maar niet de echte topper. Geen van de droge maanden in 1976 haalde de top tien droogste maanden van de 20e eeuw, noch de top tien zonnigste maanden van de 20e eeuw. 1976 was de op één na (1947) zonnigste zomer. Wat in het boek wel op valt is de regelmatige stijging van de temperatuur, gemeten in 30 jarige gemiddelden, in de 20e eeuw. Van 9,1 graden in de periode 1901-1930 tot 9,7 graden in de periode 1970-1999. Uit de cijfers blijkt veel onregelmatigheid, maar ook dat de temperatuur in Nederland al meer dan een eeuw onmiskenbaar stijgt.

2018 is een uitzonderlijk jaar, maar past qua temperatuur in een trend, hoe uitzonderlijk is te bezien. We kunnen er wel van leren en moeten ons gaan voorbereiden op hogere temperaturen en meer droogte periodes. Dat zal betekenen meer doen aan hittestress en de verzilting van gronden en wateren bestrijden/voorkomen.    

Wij Nederlanders zijn van oorsprong moerasland bewoners. Net als de Dinka in Zuid-Soedan. Ondanks de nattigheid van hun omgeving de moeraslanden langs de Bahr-al-Ghazal hebben de christelijke Dinka  een regengebed omdat ze weten dat de goddelijke voorzienigheid ook droge perioden over de mensheid uitstrooit. Misschien, je weet het nooit, kan dit gebed ons ook helpen. Het leert ons in ieder geval wel dat we de regen ook mogen waarderen om de rijkdom die het hemelwater ons schenkt. 

Gebed om regen

Geef leven aan het gras,
door ons regen te zenden.
Geef leven aan de aarde,
door regen te zenden.
Geef leven aan de oogst,
door regen te zenden.
Geef leven aan onze kinderen,
door regen te zenden.

Louis van der Kallen

 


OVER WATER – 149: GEZIEN EN GELEZEN

 

| 11-08-2018 | 10.00 uur |


 

OVER WATER – 149: GEZIEN EN GELEZEN

 

Een zomer als die van 2018 laat zich, zonder het begrip klimaatverandering, moeilijk verklaren. Niet alleen in Nederland en Europa is de zomer uitzonderlijk, maar ook elders in de wereld worden hitte- en droogterecords gebroken.

Voor steeds meer gebieden komt de vraag op: zijn deze nu en op termijn nog bewoonbaar of geschikt voor landbouw.  Zelf volg ik al jaren de websites die ik informatief vind inzake het onderwerp klimaatverandering zoals:  https://www.nature.com/nclimate/ deze website geeft een ruim aanbod van artikelen/boeken over dit onderwerp.

In Over Water 145 schreef ik o.a. over het boek “drawdown” dat tal van oplossingsrichtingen geeft om het CO2 probleem aan te pakken. Een CO2 ‘oplossing’ waarover steeds vaker wordt geschreven is het mineraal olivijn, een magnesium-ijzersilicaat. Olivijn reageert snel met het CO2 in de atmosfeer. De eindproducten van de reactie zijn, afhankelijk van de samenstelling van het olivijn, magnesiumcarbonaat, siliciumoxide (zand) en ijzeroxide. Door olivijn te vermalen en dan eenvoudig uit te strooien, bijvoorbeeld over ons zandpad in de tuin, kunnen wij zelf in de CO2 reductie een bijdrage leveren. Olivijn is in Nederland verkrijgbaar bij GreenSand.

GELEZEN

“Nederland, een natte geschiedenis”, uitgegeven in 2006, geschreven door Art de Vos. Van de eerste watermanagers tot het ‘van land weer water maken’ in het Ruimte voor de rivier programma. Ik heb het boekwerk met veel plezier en herkenning gelezen. Een prachtig stuk waterschapgeschiedenis van Nederland. Het lezen waard.

Louis van der Kallen

 


OVER WATER – 148: ZE WISTEN HET EN DEDEN NIETS

 

| 04-08-2018 | 10.00 uur |


 

OVER WATER – 148: ZE WISTEN HET EN DEDEN NIETS

 

Afgelopen donderdag was een groot deel van het NOS journaal van 13.00 uur gewijd aan een persconferentie van onder andere Rijkswaterstaat en de Unie van waterschappen over de droogte en de verzilting.  Ik erger mij er dan aan dat de korte termijnproblemen niet worden vertaald naar lange termijn oorzaken en oplossingen.

Nu worden we geconfronteerd met een droogte die zijn weerga in de recente geschiedenis niet kent. 1976 werd steeds beschouwd als een incident. De deskundigen voorspellen nu een meer dan hete toekomst. De zomer van 2018 kan wel eens de standaard worden. Was dit te voorzien? JA!!!!

In 1965 “De toekomstige drinkwater voorziening van Nederland van de centrale commissie voor drinkwatervoorziening 1965” en “De waterhuishouding van Nederland”, samengesteld door Rijkswaterstaat 1968, werden met een vooruit ziende blik een aantal (toen toekomstige) problemen  in beeld gebracht. Verzilting stond toen al hoog op de agenda van Rijkswaterstaat. Niet vanwege de klimaatverandering en de zeespiegelstijging, want die waren toen politiek nog niet aan de orde. Natuurlijk spelen de klimaatverandering en de zeespiegelstijging een rol bij de droogte en de verzilting. Maar als de grootste oorzaak toen werd een andere schuldige aangewezen: de veranderingen rond de Nieuwe Waterweg! 

Vanaf eind vijftiger jaren van de vorige eeuw tot 1968 zijn er belangrijke ontwikkelingen geweest die de zoetwatervraag, om de verzilting via de Nieuwe Waterweg tegen te gaan, hebben doen toenemen van circa 300 m3/s naar circa 700/800 m3/s. De uitbreiding van het havenareaal (Europoort, Botlekhavens, Eemhaven) en de verdieping van de vaarweg naar deze havens, alsmede de verdieping van de oliegeul vanuit zee naar de monding van de Nieuwe Waterweg hebben het vloedvolume toen enorm doen toenemen. Dit heeft tot gevolg gehad dat de rivier zich aangepast heeft aan het toegenomen getijvolume op het traject van de rivier tussen de mond en de betreffende havens. Hierdoor ontstond een verdieping van de rivier in de periode 1958/1964 van circa 2 meter door een proces van terugschrijdende erosie op het traject Hoek van Holland – Maassluis. De verwachting in 1968 was dat dit proces voort zou gaan. Als aanpassing op dit proces werd de norm van het chloridegehalte ter hoogte van de Parkhaven (300mg/l) losgelaten en de toetsplek werd verlegd naar de mond van de Hollandsche IJssel en werd het advies gegeven: “de bodem van de Nieuwe Maas en de Nieuwe Waterweg te verhogen en vast te leggen.” (Bron: “De waterhuishouding van Nederland” samengesteld door Rijkswaterstaat 1968). 

Gebeurde dit? Nee, het was volgens de politiek immers niet nodig en volgens Rotterdam en de havenbaronnen ongewenst. De Deltawerken kwamen er aan en het zoete water kon door de dammen gestopt worden en doorgeleid worden naar zee via de Nieuwe Waterweg. Maar de Rotterdamse groot muil werd nog groter. Sinds 1968 bleven er gewoon havens bij komen. Dit leidde er toe dat van oude afspraken steeds minder terecht kwam. Als voorbeeld de geschiedenis van de afspraken rond het Volkerak-Zoommeer: “Direct na de afsluiting in 1987 werd het Volkerak-Zoommeer doorgespoeld met water uit het Hollandsch Diep (zoet), teneinde op korte termijn te kunnen beschikken over zoet water voor de regionale watervoorziening in de omliggende gebieden. Hierdoor daalde het gemiddelde chloridegehalte van het Volkerak-Zoommeer binnen één jaar tot de gestelde norm van 0,4 g Cl/l. Het handhaven van deze chloridenorm wordt geregeld door middel van een doorspoelbeheer vanuit het Hollandsch Diep. Zoutaanvoer vindt nog plaats als gevolg van schutverliezen, zoute kwel en uitspoeling uit buitendijkse gronden. In 1993 werd de chloride norm bijgesteld tot 0,45 g/l. Door deze verhoging kon de inlaat vanuit het Hollandsch Diep via de Volkeraksluizen worden beperkt…”

“In het waterakkoord is in 2001 vastgelegd gedurende het groeiseizoen te sturen op 450 mg cl/l bij de meetlocatie Bathse Brug, met uitzondering van perioden van droogte…..”

“In het ‘droge’ jaar 2003 werd door het stopzetten van de inlaat voor doorspoeling de norm voor het chloridegehalte bij de meetpunten Bathse Brug en mond van het spuikanaal herhaaldelijk overschreden.” (Bron:  pagina’s 87/88 van de Milieueffectrapport bij de Rijksstructuurvisie, oktober 2014). 

Foto: Bron Wikipedia/Michiel1972

In november 2014 schreef ik “Wie zijn de slachtoffers van deze zoet water honger van de Nieuwe Waterweg? De boeren en tuinders van Zuid-Holland, Zeeland en West-Brabant en de drinkwaterleidingbedrijven in laag Nederland en daarmee alle consumenten van dat drinkwater. Zij lijden de schades veroorzaakt door de verzilting in de vorm van mindere opbrengsten en hogere kosten. Natuurlijk erken ik dat Rotterdam en zijn havens voor de BV Nederland van onschatbare waarde zijn. Maar het jaar na jaar afwentelen van de verziltingproblemen op boeren, tuinders en drinkwaterbedrijven en het laten verzilten van zoete natuurgebieden zoals laagveen moerassen kan niet blijven voortduren. Het gat dat de Nieuw Waterweg heet moet vergaand gedicht worden. Door sluizen die, als er gebrek is aan zoet water, geschut kunnen worden en door maatregelen die al in 1965 en 1968 werden genoemd als alternatieven, zoals het verhogen/vastleggen van de bodem van de Nieuwe Waterweg eventueel met een drempel en luchtbellenschermen, die nu nog steeds als innovatief door Rijkswaterstaat worden betiteld maar in 1968 al in de grote schutsluizen te IJmuiden werden gebruikt (bron: pagina 33 “De waterhuishouding van Nederland” samengesteld door Rijkswaterstaat 1968).” 

Het wordt tijd dat de landelijke politiek nu echt zijn werk gaat doen en doorkrijgt dat vanaf eind jaren vijftig van de vorige eeuw de rest van Nederland gebruikt wordt als zoetwaterleverancier voor de eeuwig hongerige Nieuwe Waterweg. Rotterdam moet ophouden de problemen die haar havenactiviteiten veroorzaken af te wentelen op de rest van Nederland. De laksheid om de wijze raad uit de jaren zestig niet te vertalen in sluizen in de Nieuwe Waterweg kost onze economie nu miljarden euro’s en kan boeren aan de bedelstaf brengen. Ga nu aan de slag dan kunnen we mogelijk over 15 tot 20 jaar de stop op het gat van de Nieuwe Waterweg drukken en daarmee dit zoetwaterlek feitelijk dichten. Nu stroomt er per seconde circa 800 kubieke meter kostbaar zoet water weg. De voorraad in het IJsselmeer is immers niet oneindig. Als we dan toch over de toekomst en zoet water gaan nadenken stoft dan ook het “Waterbeleid voor de 21e eeuw”, het advies van de Commissie waterbeheer 21e eeuw onder voorzitterschap van oud-gedeputeerde Tielrooij eens af en herlees eens pagina 74 onder het kopje verzilting: “Door toenemende verzilting en drogere zomers zal de vraag naar zoet water voor doorspoeling en beregening in West-Nederland toenemen. De aanvoer van zoet water in de zomer zal echter juist afnemen in Zuidwest-Nederland, de Wieringermeer en in de droogmakerijen zal de beschikbaarheid van zoet water in toenemende mate een knelpunt worden voor de daar aanwezige glastuinbouw, vollegrondstuinbouw, bollenteelt en ook de akkerbouw. De Commissie wil daarom aandringen op het aanleggen van zoetwatervoorraden binnen de regio’s.”  Geschreven in het jaar 2000.

Tenslotte hoop ik dat men in Den Haag nu eindelijk besluit de verzilting van het Volkerak-Zoommeer definitief af te blazen en nu eindelijk bereid is de adviezen uit het verleden van wijze mensen op waarde te schatten. Na de adviezen van Rijkswaterstaat uit 1968, vijftig jaar geleden, en van de commissie Tielrooij (2000) is er kostbare tijd verspild. Daar betalen de boeren, transporteurs over water en industrieën nu een grote prijs voor. Ga denken en handelen, zodat het waterbeheer in Nederland echt toekomstbestendig wordt.   

Louis van der Kallen

 


VRAGEN OVER DE AANVOER VAN ZOET WATER, KENMERK 18003

 


Bergen op Zoom, 29 juli 2018

 

Aan het Dagelijks Bestuur van het

Waterschap Brabantse Delta

Per e-mail

 

Betreft:      Vragen over de aanvoer van zoet water, kenmerk 18003

 

Geacht Dagelijks bestuur,

De huidige hoge temperaturen en de ermee gepaard gaande droogte hebben tot gevolg dat de aanvoer van zoet water de nodige inspanningen van ons waterschap vereist. Op dit moment is alles nog redelijk in de hand te houden in ons gebied. De klimaatscenario’s veranderen echter met dag en de extremen blijven elkaar overtreffen. Een aantal factoren was voor West-Brabant gelukkig gunstig ten aanzien van de aanvoer van zoet water. Overbodig te vermelden dat de beschikbaarheid van zoet water ook wereldwijd een punt van zorg is.

De voorgenomen verzilting van het Volkerak-Zoommeer (al gaande door het achterstallige onderhoud van de sluizen) maakt dat een belangrijke bron van zoet water gaat wegvallen. Zoet water voor West-Brabant wordt in dat scenario via de Roode Vaart aangevoerd.

Vragen

  1. Is de aanvoer van voldoende zoet water in de huidige extreme weersomstandigheden gegarandeerd wanneer het Volkerak-Zoommeer   zou zijn verzilt?
  2. Zijn er alternatieve aanvoerroutes voor zoet water denkbaar?
  3. Is in de huidige beleidsdocumenten rekening gehouden met de extremen waar we nu al mee te maken hebben?
  4. Is heroverweging van de verzilting van het Volkerak-Zoommeer niet urgent?

In afwachting van uw reactie,

hoogachtend,

Namens de fractie Ons Water/Waterbreed

Jan Slenders

 


OVER WATER – 147: BOSBOUW EN BEGRAZING GAAN HEEL GOED SAMEN

 

| 28-07-2018 | 13.30 uur |


 

OVER WATER – 147: BOSBOUW EN BEGRAZING GAAN HEEL GOED SAMEN

 

Foto: boerderij De Regte Heijden

In Over Water 145 schreef ik o.a. over hoe de ideeën van Ernst Gotsch inzake de combinatie van landbouw en bosbouw vorm gegeven kunnen worden en hoe door de vermenging van bomen en gewassen het koolstofgehalte van de bodem en de productiviteit van het land verbeterd kunnen worden en hoe bosbouw en begrazing (silvopasture) gecombineerd kunnen worden met een bijzondere kwaliteit vlees als gevolg.

Tot mijn blijdschap kwam ik op zaterdag 21 juli in de wetenschapsbijlage van de NRC een artikel tegen over dezelfde onderwerpen met de titel: “Bomen moeten terug op het land” en als subtitel: “het combineren van land- en bosbouw biedt perspectief op verduurzaming. Plant en dier profiteren van elkaar.”  Het mooie van het artikel vond ik de voorbeelden van boeren in Nederland die de vermenging van landbouw en bosbouw al in praktijk proberen te brengen, zoals Wim van Roessel uit Riel die in zijn bedrijfsvoering op zijn boerderij De Regte Heijden in 2014 een bosweide (1ha) heeft aangelegd. Dit is een combinatie van bomen en heesters met vee en veevoerproductie. De bomen, vee en weiland worden beheerd als één systeem. De bomen (appels en peren) geven schaduw, hetgeen goed is voor de gezondheid van het vee. In de bosweide staat ook een bijenkast. Ik vind dit een prachtig voorbeeld van hoe het moet. Het geeft mij ook een goed gevoel dat dit voorbeeld zich bevindt in het werkgebied van het waterschap de Brabantse Delta, waar ik zelf als bestuurder mag functioneren.

In het NRC artikel wordt ook verwezen naar studies zoals van Paul Burgess van de Cranfield University die aantonen hoe profijtelijk het combineren van landbouw met bosbouw kan zijn en hoe ecologische doelen samen kunnen gaan met goed, profijtelijk  en maatschappelijk verantwoord boeren

Louis van der Kallen

 


OVER WATER – 146: HET MOET NIET GEKKER WORDEN

 

| 21-07-2018 | 11.00 uur |


 

OVER WATER – 146: HET MOET NIET GEKKER WORDEN

 

De Sint Antoniuskapel in Aijen Foto: Michiel Verbeek

In de media (ANP) werd ik getroffen door de kop: “Waterschap gaat dijk verlagen na verzet dorpsbewoners”. De dijken rond het Noord-Limburgse dorpje Aijen worden toch niet hoger dan oorspronkelijk afgesproken. Die toezegging deed bestuurder Rein Dupont van het Waterschap Limburg tijdens een met spoed ingelast bewonersoverleg, nadat ruim twintig boze burgers met schoppen gewapend naar de dijk aan de Maas togen om die eigenhandig te verlagen.

De dijk was namelijk tot veertig centimeter hoger dan, in hun ogen, was afgesproken. Hierdoor werd veel inwoners een uitzicht op de Maas ontnomen. Na deze spontane actie besloot het schap water bij de wijn te doen.

Bij dijkverbeteringen worden dijken altijd hoger gemaakt dan volgens de normen noodzakelijk. Na een verhoging/verbreding zakt de dijk altijd door inklinken in. Modelmatig wordt daarom de vermoedelijk noodzakelijke extra benodigde hoogte berekend. Dit om extra handelingen en kosten te voorkomen. Dat gebeurt al vele tientallen jaren en blijkt nodig. Afhankelijk van de ondergrond en het materiaalgebruik blijkt meestal dat na inklinken de dijk aan de normen voldoet en slechts zelden wordt dan de normhoogte substantieel overschreden. De gebruikte modellen blijken veelal juist. Nu de extra laag eraf schrapen en over twee jaar gaan kijken hoeveel de dijk is ingeklonken en dan de dijk op hoogte brengen, en dat eventueel later nog een keer, is je reinste verspilling van overheidsgeld. Als het waterschap de verbeteringen zelf zou betalen heb ik er niets over te zeggen en zou ik slechts over zoveel toegeeflijkheid meewarig mijn hoofd schudden. Maar in dit geval betaalt de rest van Nederland mee. Dijkverbeteringen aan primaire keringen, zoals bij Aijen, worden voor 50 % opgebracht door het Rijk, voor 40 % door de waterschappen gezamenlijk en slechts voor 10 % door het eigen waterschap. Hier wordt het korte-termijn-denken en het ‘niet in mijn achtertuin’ en een voorgenomen wetsovertreding beloond door een bestuur/bestuurder met te slappe knieën. Er is niks mis met naar de burger luisteren, maar dat moet er niet toe leiden dat ondoelmatig met overheidsgeld wordt omgegaan en goede procedures, zoals het aanbrengen van een overhoogte om het onvermijdelijke inklinken op voorhand te compenseren, om zeep te brengen.

Het waterschap stelt hier, naar mijn inzicht, de verkeerde prioriteiten. Dijken worden niet verhoogd om aan normen te voldoen, maar om de veiligheid nu en in de toekomst zo goed mogelijk te borgen tegen de laagst mogelijke maatschappelijke kosten. Wat mij betreft betaalt het waterschap Limburg deze meerkosten volledig zelf en wordt bij de volgorde waarin tot 2050 de verbeteringswerken aan primaire waterkeringen in Nederland worden uitgevoerd, de prioriteiten gelegd bij waterschappen die wel werken aan een toekomstige veiligheid tegen de laagst mogelijke maatschappelijke kosten.

Ik sluit niet uit dat de komende verkiezingen voor een nieuw waterschapsbestuur in 2019 hier iets mee te maken heeft. Dit voorval laat dan ook zien dat de politisering van het waterschapsbestuur in 2008 geen winst is voor de kwaliteit en (financiële) duurzaamheid van de beslissingen.

Louis van der Kallen

 


DE MENS ACHTER DE POLITICUS LOUIS VAN DER KALLEN

 

| 16-07-2018 | 01.20 uur |


 

Joop van der Laan, tekstschrijver en journalist, gaat in een interview op zoek naar de mens achter de politicus Louis van der Kallen

 

 


OVER WATER – 145: “DRAWDOWN” EN DROOGTE

 

| 14-07-2018 | 11.00 uur |


 

OVER WATER – 145: “DRAWDOWN” EN DROOGTE

 

Het is weer zomer. Voor mij betekent dat afkicken van Buitenhof en weer even wennen aan “het filosofisch kwintet”.  Dat ging een paar weken terug over ‘overbevolking’ en allerlei daaraan verbonden aspecten zoals: solidariteit, voedsel en welvaartverdeling, ecologische voetafdruk enz.

In het gesprek kwam ook het boek Drawdown voorbij. Een boek dat mij na lezing zeer aanspreekt. Ik schreef daar eerder een stukje over in het kader van vroegere waarschuwingen voor door de mens veroorzaakte klimaatveranderingen. Het boek geeft circa 100 oplossingsrichtingen over hoe de opwarming van de aarde te vertragen en zelfs terug te dringen. Van energie-alternatieven: wind-, zon-, geo-, hydro-, golf-, getijde-, bio- en nucleaire energie.  Ze worden stuk voor stuk (en allerlei varianten inclusief opslagsystemen) uitgewerkt.

Ook de hoofdstukken over voedsel (teelt en bereiding) zijn uitgebreid. Hoe te komen tot een plantrijk dieet? Hoe te komen tot een permacultuur? Onder andere gericht op bodemherstel zodat de bodem duurzaam in staat is voedsel te produceren en de bodembiotoop hersteld wordt. Hoe de voedselafvalberg te verminderen? Hoe de voedselbereiding te verbeteren en de CO2 uitstoot daarvan te verminderen? Hoe de ideeën van Ernst Gotsch inzake de combinatie van landbouw en bosbouw vorm gegeven kan worden en hoe door de vermenging van bomen en gewassen het koolstofgehalte van de bodem en de productiviteit van het land verbeterd kan worden. Hoe de rijstbouw geïntensiveerd en verbeterd kan worden. Hoe bosbouw en begrazing (silvopasture) gecombineerd kan worden met een bijzondere kwaliteit vlees als gevolg. Hoe met een beter nutriëntenbeheer de C02 uitstoot beperkt kan worden en de kwaliteit van de bodem verbeterd.    

Voor de leden van het algemeen bestuur van het waterschap Brabantse Delta was er een bijeenkomst over de droogte. In al die jaren van mijn bestuurlijke betrokkenheid bij waterschappen was dit de eerste keer dat het nodig was om er bestuurlijk op deze wijze over te praten. De droogte van nu is uitzonderlijk en ondanks dat we boffen dat de winter nat is geweest en de Maasafvoer door nalevering van water vanuit de bodem in het bovenstroomse gebied van de Maas nog redelijk op peil is gebleven, nemen de zorgen voor de landbouw toe. Deze zomer gaat steeds meer lijken op “De hondsdagen van 1976”. Tevens wordt duidelijk dat het verzilten van het Volkerak-Zoommeer systeem het domste is wat denkbaar is. Nu kan dit zoete water nog gebruikt worden door de landbouw in grote delen van West-Brabant, Zeeland en Zuid-Holland. Wel dient dan de sluipende verzilting snel gestopt te worden door doorspoelen en door het reeds decennia uitgestelde onderhoud aan de sluizen omgaand ter hand te nemen, zodat deze rijke bron van zoete welvaart behouden blijft. De droogte laat ook zien dat het gat, dat Nieuwe Waterweg heet en circa 800 kubieke meter zoet water per seconde verspilt, gedicht moet worden. De honger naar zoet water moet gestild worden door nu eindelijk te gaan werken aan sluizen in de Nieuwe Waterweg die bij een oplopend tekort aan zoet water gedicht kunnen worden.  

Louis van der Kallen