IN ÉÉN


| 12-04-2021 |

 

In een ‘zee’ van blauwe stippen springt de rode bij Bergen op Zoom de Binnenschelde er wel uit. Ook op de kaart van 2019 is dat het geval https://www.eea.europa.eu/themes/water/interactive/bathing/state-of-bathing-waters

Geen uitnodiging om hier te komen zwemen of surfen. Dat kan anders maar dat vergt een jaren lange aanpak om tot verbetering te komen. Te beginnen met een verbod om gemotoriseerd te varen waarbij de bodem wordt losgewoeld en voedingsstoffen voor de algen worden verspreid in het water.

 

Louis van der Kallen.


DE BOOMSPIEGEL


| 01-04-2021 |

 

Steden en dorpen verharden. Gemeenten en veel mensen kiezen vaak voor weinig onderhoud en bestraten hun achtertuinen en maken van hun voortuin een parkeerplek die altijd vrij is. Ook gemeentelijke plantsoenen zijn de afgelopen jaren omgetoverd tot grasvlakten en perken met weinig onderhoud. Gevolg: afwateringsproblemen en verschraling van de biodiversiteit. Steeds minder insecten, steeds minder vogels en vleermuizen die de insecten eten. Het kan en moet anders.

Eén van de mogelijkheden om dat anders te doen, kan zijn het vergroenen van de boomspiegels. De boomspiegel, de vaak zanderige grond rondom een boom, is een perfecte plek om de stad of uw dorp te vergroenen. Stichting Guerrilla Gardeners lanceert daarom in samenwerking met de Stichting Steenbreek in 2021 de Nationale Dag van de Boomspiegel. Beide organisaties hebben de handen ineengeslagen om de boomspiegel op de kaart te zetten met als doel voor 2030 een miljoen groene boomspiegels te realiseren. Dat doen ze in het najaar, het ‘vergeten tuinseizoen’. Dan is de grond nog warm en vochtig, hebben planten mooi de tijd om te wortelen en het is de ideale tijd om bollen te planten.

Guerrilla Gardeners wachten niet af tot ‘de overheid’ of ‘de bedrijven’ komen met een oplossing. Het zijn bewoners van wijken overal in het land met de focus op wat je wél kunt doen voor biodiversiteit. Gewoon vlak buiten de eigen voordeur. Een voorbeeld in Bergen op Zoom is Bea Demmers. Zonder het zelf te beseffen is zij een Guerrilla Gardener die voor haar eigen voordeur een klein bijen- en insectenparadijsje heeft gecreëerd (zie foto).

De Guerrilla Gardeners zien boomspiegels als een ideale plek om aan te pakken. Ieder plantje op zo’n kale plek draagt direct bij aan de biodiversiteit. Vanwege de locatie op straat en/of in de stoep is het beplanten heel goed samen met straatgenoten op te pakken, wat op een natuurlijke wijze leidt tot ontmoetingen en contacten. Samen oases in een boomspiegel aanleggen zorgt ervoor dat bewoners meer betrokkenheid voelen bij hun wijk.

Gemeenten kunnen partner worden bij dit project. Het aanbod aan gemeenten bestaat uit diverse standaardpakketten (small, medium en large) met een oplopende mate van ondersteuning. Het small pakket is gratis. Van diverse grote gemeenten is al bekend dat ze bij deze dag willen aanhaken. Gaat Bergen op Zoom of uw gemeente ook aanhaken?

 

Louis van der Kallen.


OUDE WIJSHEID


| 29-03-2021 |

 

Ons land kent 95 dijkringen. Die beschermen ons tegen het buitenwater zoals de zee, de meren, rivieren en beken. Dat zijn de ‘natte’, wakende dijken of keringen. Maar de geleidelijke inpoldering door de eeuwen heen heeft in ons landschap vele sporen in de vorm van dijken achtergelaten. Die ‘droge’ dijken kennen (lokaal) verschillen de namen zoals slaper, binnendijken, middeldijken en meeldijken.

Voor de dertiende en veertiende eeuw had men de gewoonte om die ‘droog’ geworden dijken, die voor het ogenblik geen dienst meer deden weg te graven en het materiaal te hergebruiken en daarmede kosten te besparen. Een kwade gewoonte die tot gevolg had dat bij een stormvloed doorbraak van dijken de gevolgen groter waren dan onvermijdelijk. In grote delen van het land waaruit de binnendijken, zoals voormalige zeedijken waren verdwenen had zulk een ramp dan natuurlijk een grotere omvang dan bij het inlopen van een enkele polder.

Dat opruimen der binnendijken werd voor Holland en Zeeland door Filips de Goede van Bourgondië in 1452 verboden, maar in het algemeen had men ze reeds veel vroeger uit welbegrepen eigenbelang laten liggen. De jongere eilanden zoals Noord-Beveland, Overflakkee en de Hoeksche Waard kennen mede daardoor een netwerk van dijken. Vaak is nog te zien welke van de twee aaneensluitende bedijkingen de jongste is, namelijk die aan de zijde met de flauwste dijkglooiing. Dat was vroeger de buitenzijde van de zeedijk.

In de afgelopen zeventig jaar, waarin enorm veel infrastructurele werken tot uitvoering zijn gekomen, is vaak geen of onvoldoende rekening gehouden met de slaperfunctie van binnendijken. Nu de meerlaagsveiligheid een begrip aan het worden is binnen de waterschappen, de gemeenten en Rijkswaterstaat wordt het tijd voor een grondige analyse van de situatie van de ‘slapers’. Bestuurders van waterschappen en gemeenten moeten wakker worden op dit punt. Kust de slapers wakker en neem de oude wijsheid van Filips de Goede en zijn adviseurs serieus.

 

Louis van der Kallen.


UW PEUK (MET TIP!)


| 19-03-2021 |

 

  • Wist u dat: 20 % van de rokers een weggegooide peuk niet ziet als zwerfvuil?

  • Wist u dat: 2/3 van de in Nederland gerookte sigaretten filtersigaretten zijn?

  • Wist u dat: de filters gemaakt zijn van celluloseacetaat? Een kunststof die niet vergaat maar uiteindelijk in duizenden stukjes plastic uiteenvalt.

  • Wist u dat: sigarettenpeuken circa 4000 verschillende giftstoffen bevat? Waaronder: lood, benzeen, aceton, ammoniak en arsenicum (rattengif).

  • Wist u dat: peuken een risico vormen voor kinderen en dieren die ze eten?

  • Wist u dat: één peuk in het water acht liter water tot chemisch afval maakt?

Een op straat weggegooide peuk begin aan een leven vol verderf. In Nederland wordt jaarlijks circa tien miljoen kilo sigarettenpeuken op straat of in het groen weggegooid, waarvan circa 80 % wordt opgeruimd. Circa twee miljoen kilo verdwijnt dan in het riool waarvan een groot deel ongezuiverd in het oppervlaktewater terecht komt. Immers veel straatriolen (in een gescheiden rioolstelsel) voeren niet af naar een rioolzuiveringsinstallatie maar naar sloten, grachten, vaarten, kanalen, vijvers, vennen, beken en rivieren in de buurt.

De giftstoffen in een peuk tasten de water- en bodemkwaliteit aan en daarmee ook de biodiversiteit. Europese regelgeving bepaalt dat de tabaksfabrikanten moeten gaan betalen voor de opruimkosten. Peuken of de microplastics waarin ze uiteen zijn gevallen worden door vogels en vissen soms aangezien voor voedsel. In dit geval kunnen ze daaraan dood gaan.

Dat kan en moet anders! Besef dat peuken afval zijn en peuken NIET op straat, in een rioolput of in de natuur thuis horen. Peuken zijn echt afval. Dus ga daar mee om zoals u met afval behoort om te gaan. Het hoort in uw vuilnisbak of in een openbare afvalbak en dat is niet de straat of de natuur, noch een rioolput.

Vrijwel iedere sigaret is op het punt van het begin van de filter te breken. Als iedereen eens zou beginnen om de filter van het tabak en papier af te breken en in het pakje terug te doen (dat stinkt dan niet). Op die manier kunnen de filters samen met het pakje in de prullenbak, in plaats van miljarden(!) filters in de natuur.


NATUUR VERTSTERKT KUST


| 12-02-2021 |

MOEDER NATUUR VERSTERKT DE KUST”, kopte Trouw op 25 januari 2021 over (tijdelijke) landinwaartse zeedijkverschuiving als klimaatbestendige, kustversterkende oplossing; dit was voorgesteld door Het Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ). Het artikel gaat evenwel helemaal niet over kustversterking, maar gaat om ophoging van polders langs de “kust”, met name langs de Westerschelde. De wijze waarop is verre van efficiënt en brengt grote schade toe aan de zeedijk, die later weer dienst moet doen en toch op hoogte moet worden gehouden om niet steeds vaker overstroomd te kunnen worden.

Wat erger is: het plan kent een dubbele moraal, overigens naast de vele onjuistheden in het artikel. Uitgangspunt blijkt te zijn om de noodzakelijke verkorting van de kustlijn te voorkomen om de ZOUTE milieus binnen ons land te handhaven, te versterken en uit te breiden. Mensen kunnen alleen maar leven in een zoet milieu. Men gaat van de veronderstelling uit dat we land te veel hebben en zout milieu te weinig. Maar wil men de “kust” langs de getijwateren binnen ons land echt versterken om de zeedijken minder snel te hoeven verhogen, dan moet men een lage dijk juist voor de zeedijk leggen. En inderdaad dan zandt en slibt het tussen die twee dijken op. Het voorland komt hoger te liggen en de golfoploop van de zeedijk wordt minder, zoals bij no.1 langs de Zeeuws-Vlaamse kust.

Het gaat ook niet om wisselpolders. Met wisselpolders wordt bedoeld, dat de landbouwer zijn land al dan niet tijdelijk inwisselt voor andere grond, “b.v. een stuk oude poldergrond in het Verdronken Land van Saeftinghe”. Als die polder dan op voldoende hoogte is gekomen, kan geruild ofwel gewisseld worden met een volgende polder enz. Men is dan erg lang bezig, als zo’n cyclus per polder 50 jaar zou duren. Het is ook van belang dat landbouwers gegarandeerde zekerheid over hun land krijgen. Gezien het artikel is dat niet de bedoeling.

Hoogst merkwaardig is, dat men veronderstelt dat het slib via de haven van Antwerpen vanuit België naar de Westerschelde komt. Dat is niet zo. Het slib komt van voor de Belgische kust via de Wielingen de Westerschelde op en bezinkt uiteindelijk in de Antwerpse haven. Dat komt omdat de bodem van de Westerschelde onnatuurlijk diep gebaggerd is.

Niet overal langs de zeedijken van de Westerschelde komt evenveel slib langs. Bovendien wil men liefst eerst de diepst liggende polders ophogen, maar wel zonder de zeedijk tijdelijk niet te laten functioneren. Die polders liggen aan de Zuid-Bevelandse zijde.

Het NIOZ was juist groot voorstander om niet alleen de hooggelegen polders, zoals de Hedwigepolder, Perkpolder en de Oud-Breskenspolder te ontpolderen, maar ook tegen de natuur in af te graven. Men is kennelijk bij het NIOZ bekeerd tot ophoging van de poldergronden. Dan kunnen we al beginnen met Waterdunen, waar schandalig veel is afgegraven en alvast de diepe drempel in de monding van de baai van Perkpolder op te hogen tot een lage dijk en stoppen met het inrichtingsplan Hedwigepolder. Ophogen van die aanliggende polders kan veel beter met behoud van de bestaande infrastructuur.

We moeten stoppen met de propaganda over zilte teelten op het land als oplossing. Men is al decennia lang bezig met proeven en het wil maar niet lukken om daar maar enige productie in te krijgen, omdat die planten heel veel aandacht behoeven en gevoelig zijn voor een bepaalde range van lichte zoutgehaltes. De oude culturen zijn er aan ten onder gegaan.

Kustverkorting blijft de beste oplossingsrichting in deze klimaatdiscussie!

Wil Lases


 

RESISTENTE BACTERIËN

 


| 04-01-2021 |

 

De coronapandemie laat zien dat infectieziekten nog lang niet de wereld uit zijn. Ook de toenemende weerstand onder grote delen van de bevolking tegen vaccineren kan een oorzaak worden dat infectieziekten, waarvan we veronderstellen dat we ze onder de knie hebben in de toekomst toch weer de kop op steken.

De afgelopen jaren heb ik met regelmaat aandacht gevraagd voor de ontwikkeling van resistente bacteriën in en met onze zuiveringen waarbij het voorkomen van medicijnresten in het afvalwater een factor kan zijn. Recent is er een update ‘Medicijnresten en waterkwaliteit’ verschenen van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)

Ook laat een ander RIVM-onderzoek zien dat in mest en in afvalwater steeds meer bacteriën voorkomen die resistent zijn tegen antibiotica en daarmede een steeds groter probleem vormen voor de gezondheidszorg. De verspreiding vindt plaats via het uitrijden van mest en via de afvalwaterzuiveringsinstallaties waarbij de resistentie bacteriën uiteindelijk in ons oppervlaktewater terecht komen. Ook overstorten en verkeerde aansluitingen in geschieden rioolstelsels dragen hieraan bij. In gebieden met gescheiden rioolstelsels worden in het oppervlaktewater meer resistente bacteriën gevonden.

Naar resistente bacteriën wordt steeds meer onderzoek gedaan, maar tot een echte aanpak in onze rioolwaterzuiveringen komt het nog niet, terwijl in Duitsland en Zwitserland wel concrete stappen op dit gebied  worden gezet. Zoals gebruikelijk is de vraag: wie gaat dat betalen? Ik acht de groeiende gezondheidsrisico’s zodanig dat er nu echt aan de slag moet worden gegaan met de aanpak van bacteriën in onze zuiveringen en in de effluentlozingen. Nu komen er steeds meer resistente bacteriën in het oppervlaktewater terecht. Dus ook in oppervlaktewater dat gebruikt wordt om  drinkwater van te maken. De risico’s nemen toe en dat zou moeten betekenen dat met de aanpak haast moet worden gemaakt. Wie het gaat betalen, is dan een zaak waar de dames en heren politici desnoods later besluiten over moeten gaan nemen.

 

Louis van der Kallen


 

WATER EN MUGGEN

 


| 18-12-2020 |

 

 

Water in combinatie met muggen die ziekten overbrengen zijn al eeuwen een probleem in Nederland en nu rukt er een voor ons nieuw muggenrisico op! Het westnijlvirus wordt sinds kort gevonden in Nederland. En net als in het midden van de vorige eeuw kunnen we weer dood gaan aan een steek van de gewone huissteekmug! In de vorige eeuw was het malaria dat slachtoffers maakte. Ik schreef er eerder over.

Het westnijlvirus behoort tot de Flavi-virussen die tal van nare (tropische) ziekten veroorzaken zoals gele koorts, knokkelkoorts en Zika. Vogels zoals de huismus en de koolmees kunnen drager zijn en het virus via een mug overdragen op de mens. Er is nog geen goede behandeling voor een westnijlinfectie, laat staan een vaccin!

Het wordt tijd dat het publiek meegenomen wordt in beperking van de voortplanting van muggen. Muggen planten zich graag voort in tijdelijk stilstaand water met weinig natuurlijke vijanden. Door steeds vaker droogvallende wateren verdwijnen vissen en amfibieën en daarmee de eters van de muggenlarven. Veel tuinen bevatten veel broedplaatsen. Niet optimaal geïnstalleerde regentonnen, putjes onder buitenkranen, verstopte dakgoten, lege plantenpotten of lekschoteltjes, zwembadjes, asbakken, niet goed afgevulde autobanden die als bloemperk worden gebruikt, waxinelicht-houders enzovoort.

Ook voor beheerders van de open rioolsystemen is er werk te doen. Kijk hoe rioolputten minder aantrekkelijk voor muggen kunnen worden. Ook waterschappen zullen nu moeten bedenken hoe de natuurlijke vijanden van muggen meer blijvende kansen krijgen in ons systeem.

Als we er nu niet mee aan de slag gaan, verliezen we kostbare tijd en slapen we straks allemaal onder de klamboe en krijgen de verkopers van horren veel werk. Ook wordt ontspannen op het terras zitten een stukje spannender als we daar mee een, in potentie, dodelijke ziekte kunnen oplopen.

 

Louis van der Kallen.

 


 

IS ER EEN VERBAND TUSSEN DRINKWATER UIT OPPERVLAKTEWATER EN ZIEKTEN ALS ‘DE CORONA’..?

 


| 07-10-2020 |

 

 

De afgelopen jaren schreef ik een paar keer over resistente bacteriën. In november 2015 het artikel “resistente bacteriën en onze zuiveringen“. In december 2016 over de kennis in dit kader het artikel “medicijnresten in onze zuiveringen”. En in maart 2018 het artikel “medicijnresten in water: een groeiend probleem“.

Ik lees al jaren “Riolering”, het onafhankelijke vakblad voor rioleringszorg en stedelijk watermanagement. In de augustus/septembereditie van dit jaar staan maar liefs twee artikelen over virussen in rioolwater. En wat blijkt? Als men oude monsters bekijkt, blijkt ‘het coronavirus’ al veel langer aanwezig! Aldus een epidemioloog van de universiteit van Oxford. Wetenschappers in Brazilië vonden in rioolwater al sporen in november 2019 en in rioolmonsters uit Milaan en Turijn al in december 2019. De epidemioloog uit Oxford vermoedt dat het nieuwe coronavirus ook doorgegeven wordt via riolen en gedeelde toiletten. Dus niet alleen via de lucht!

Naar resistente bacteriën wordt steeds meer onderzoek gedaan, maar tot een echte aanpak in onze rioolwaterzuiveringen komt het nog niet. Terwijl in Duitsland en Zwitserland hier wel concrete stappen toe zijn gezet.

Een tweede probleem zijn de ‘nieuwe stoffen’ in het afvalwater. Met de huidige meetmethoden kunnen nu al ruim 100.000 verschillende stoffen in het afvalwater aangetoond worden. Met oxidatie en actieve koolabsorptie kunnen voor sommige van de nu gemeten stoffen soms bemoedigende resultaten worden behaald. Maar is dat genoeg? In mijn beleving zijn het grotendeels zinloze discussies tussen bestuurders en politici die zelden kaas hebben gegeten van de aard en mogelijke effecten van die meer dan 100.000 stoffen die we nu al in afvalwater detecteren. Voor mij is het helder: uitgangspunt zou de nul norm moeten zijn. En het rare is: die is haalbaar! Bij het gebruik van membraantechnologie kan men echt alle stoffen uit het water halen tot deze nul norm. Die technologie heeft zich de afgelopen jaren enorm ontwikkeld, is mede daardoor steeds goedkoper geworden en kan nog verder ontwikkeld worden. De winst voor de ecologie en de volksgezondheid is potentieel groot, maar deels niet in geld te berekenen.

Is het toeval dat bij de nieuwe ‘coronagevallen’ de provincies waar het drinkwater geproduceerd wordt uit oppervlaktewater er in aantallen ver bovenuit springen? Als tal van virussen en bacteriën in afvalwater voorkomen en de zuiveringstechniek deze niet adequaat kan verwijderen, dan komen deze virussen en bacteriën uiteindelijk in het drinkwater bereid uit oppervlaktewater terecht. En daarmee in ons lichaam als we het water ongekookt drinken, of middels damp of nevel bijvoorbeeld bij het douchen zoals bijvoorbeeld de legionella bacterie (veteranen ziekte).

Ik acht de groeiende gezondheidsrisico’s zodanig dat er nu echt aan de slag moet worden gegaan met de aanpak van bacteriën en virussen in onze zuiveringen en in de effluentlozingen. Nu komen er steeds meer (resistente) bacteriën en virussen in het oppervlaktewater terecht. Dus ook in oppervlaktewater dat gebruikt wordt om drinkwater van te maken. De risico’s nemen toe en dat zou moeten betekenen dat met de aanpak haast moet worden gemaakt. Dan rijst de vraag: wie gaat dit betalen? Dat is dan een zaak waar de dames en heren politici desnoods later maar besluiten over moeten gaan nemen.

 

 

Louis van der Kallen.


 

DROOGTE: DE FEITEN MOETEN WEL KLOPPEN

 


| 01-10-2020 |

 

Nu de warme, relatief droge zomer voorbij is, verschijnen er weer tal van artikelen over het veranderende klimaat en de steeds droger wordende zomers. De droogte wordt langzaam een erkend probleem. Het wordt ook steeds moeilijker voor de klimaatontkenners vol te houden dat er niets aan de hand is. De ongekend hevige natuurbranden in het droge westen van de Verenigde Staten veroorzaken veel schade en langzaamaan gaan steeds meer politici inzien dat de klimaatverandering een groeiend economisch, maatschappelijk en financieel risico gaat opleveren.

Ook in Nederland worden de schaderisico’s voor vastgoed (bodemdaling), landbouw, natuur, arbeidsprestaties en transport steeds duidelijker. In onze delta blijkt de kans op extreem laagwater op onze rivieren – onze transportassen – snel toe te nemen en dit met enorme gevolgen. De Rijn was vroeger een echte smeltrivier waar regenwater zeker in de zomer een ondergeschikte rol speelde. Met het smelten van de gletsjers wordt regenwater steeds belangrijker. De Maas was altijd al een echte regenrivier. Daarom is al meer dan honderd jaar geleden die problematiek opgepakt om de scheepvaart en de continuïteit van het goederentransport op de Maas te borgen door kanalisatie.

De afgelopen jaren was de Rijn steeds vaker beperkt bevaarbaar met alle gevolgen voor het goederentransport over het Rijn-Waal systeem. In de droge zomer van 2018 leden Duitse industriële bedrijven zoals Thyssen-Krupp en BASF, die voor hun grondstoffen en halffabricaten in hoge mate van vervoer over water afhankelijk zijn, grote schades. Voor de Europese en Nederlandse economie zou dit moeten betekenen dat we gaan nadenken over de toekomst van het vervoer over water en met name hoe de bevaarbaarheid van het Rijn-Waal systeem ook in de zomer kan worden geborgd. Als kanalisatie en stuwing van ons riviersysteem een reële optie wordt voor de toekomst moeten onze bestuurders wel in de juiste mindset komen. Dat wil allereerst zeggen: de juiste informatie krijgen. 

De laatste twee jaar wordt er – wanneer het over de droogte gaat –  de fabel hooggehouden dat 1976 een recordjaar zou zijn. Ik heb herhaaldelijk, volstrekt te vergeefs overigens , landelijke media zoals de Volkskrant en de NRC benaderd met de juiste cijfers over droogterecords in Nederland. Daarbij is helder dat 1976 wel een relatief droog jaar was, maar zeker geen record.

Deze ‘kwaliteitskranten’ maakten, als het over de droogte ging, steeds opnieuw dezelfde fout om 1976 als recordjaar aan te duiden, dit  vaak met behulp van een diagram. 1976 was met een gemiddelde neerslag in Nederland van 536,3 mm een stevig droog jaar. Maar 1921 was met een gemiddelde neerslag in Nederland van 387,3 mm ruim 27 % droger.

De ‘bron’ van al die ergernis? De Unie Van Waterschappen. In de septembernieuwsbrief (2020) wordt wederom 1976 als recordjaar aangeduid. Er was op 24 september een speciale editie:  “Droogtespecial: is droogte fake news?” Ja inderdaad:  de UVW veroorzaakt zelf FAKE NEWS!

Waarom maak ik daar een punt van? Nu langzaam tot politici door gaat dringen dat droogte een groeiend probleem is, moeten de feiten wel kloppen. Door de eeuwen heen hebben de gegevens van de waterschappen een belangrijke rol gespeeld bij de voorzorgmaatregelen die genomen werden. Na nieuwe extreme hoogwaterervaringen werden vanaf dat moment de dijken aan die nieuwe ervaringen aangepast. Ervaringen maken immers wijs. Nu droogte een erkend probleem wordt en voorzorgmaatregelen in het zicht komen, moet men zich de ervaringen uit het verleden weer eigen maken.

De ellende nu is dat veel kennis de beleidsmakers niet meer bereikt. Wat gevonden wordt met Google is vaak de kennisgrens. Dat leidt tot eindeloos elkaar na papagaaien (de 1976 is het record: onzin!). Helder moet worden dat ook de kennis uit nog niet digitaal ontsloten archieven en boeken betrokken moet worden bij de beleidsontwikkeling. Zeker als het beleid is dat pas over bijvoorbeeld dertig jaar gerealiseerd zou kunnen zijn, zoals kanalisering van het Rijn-Waal systeem of sluizen in de Nieuwe Waterweg. 

De lage waterstanden van 2018 leverden forse problemen op voor de scheepvaart. De waterstanden in 1949 en 1921 waren nog veel lager. Maar de droogteperiode in 2018 was vergeleken met 1921 KORT. In 1920/1921 duurde deze ZESTIEN MAANDEN! De record droogteperiode liep van september 1920 tot december 1921, waarin alleen januari 1921 qua neerslag een min of meer normale maand was. Een normaal landelijk gemiddelde zou 1094 mm neerlag voor deze periode van 16 maanden in die tijd zijn geweest. De werkelijkheid was 544 mm. Landelijk was er dus een neerslagtekort over die zestien maanden van 550 mm. Dat over een periode van zestien maanden slechts de helft neerslag valt van normaal was ongekend! Lokaal sloeg de droogte nog veel sterker toe. Het ergst getroffen werden het rivierengebied, oostelijk Noord-Brabant, Noord-Limburg en Zeeland. In Gorinchem viel in die 16 maanden nog geen 400 mm. In het Zeeuwse Kerkwerve viel tussen oktober 1920 en september 1921 slechts 223 mm! Het landelijk gemiddelde werd opgetrokken door het noorden. In Vlieland viel in die zestien maanden 806 mm. Dus meer dan twee keer zoveel als in Gorinchem. Behalve dat die zestien maanden zeer droog waren, waren er nog opvallende kenmerken: de gemiddeld hoge luchtdruk en de relatief grote verschillen in dag en nachttemperatuur.

Droogte zal steeds vaker gaan voorkomen. Daar moet rekening mee gehouden gaan worden. Er zijn maatregelen nodig. Water vasthouden op de hoge zandgronden maar ook het waterbeheer op de rivieren zal moeten veranderen. Is die kennis nieuw? NEE!

In “De toekomstige drinkwater voorziening van Nederland”, een publicatie van de Centrale Commissie voor Drinkwatervoorziening uit 1965,  en de rapportage uit 1940 van de Commissie Drinkwatervoorziening Westen des Lands werd al gewaarschuwd voor toenemend drogere zomers en de te verwachte schaarste en verzilting van de zoetwatervoorraden.                                                 Ook  “De waterhuishouding van Nederland”, een nota samengesteld door Rijkswaterstaat uit 1968, maakte al melding van deze (te verwachten) problematiek. Met onder andere het advies: te komen tot sluizen in de Nieuwe Waterweg zodat – in voorkomende gevallen – het zoetwaterverlies van circa 750 kubieke meter per seconde beperkt zou kunnen worden.  

In 2000 bracht de Commissie Waterbeheer 21e eeuw haar rapportage uit. Die rapportage “Waterbeheer voor de 21e eeuw (.PDF)” (WB21) gaat niet alleen over een teveel aan water, maar behandelt nadrukkelijk ook de beschikbaarheid van zoet water. Door de ontwikkelingen in klimaat, bodemdaling en zeespiegelstijging, alsmede veranderingen in het beheer en gebruik van de bodem, veranderen de beschikbaarheid en de behoefte aan zoet water. WB21 zegt daar op een aantal plaatsen iets over. Het meest markant en helder op pagina 72 van het basisrapport: “Specifiek voor Laag Nederland speelt het probleem van de verzilting. Door de zeespiegelstijging en de bodemdaling neemt de verzilting toe in de lage polders langs de kust in Zuidwest Nederland, achter de Hollandse duinenrij. Dit zal consequenties hebben voor het grondgebruik, met name voor landbouw en natuur. Door toenemende verzilting en drogere zomers zal de vraag naar zoet water voor doorspoeling en beregening in West Nederland toenemen. De aanvoer van zoet water zal echter juist afnemen. In Zuidwest Nederland zal de beschikbaarheid van zoet water in toenemende mate een knelpunt worden voor de daar aanwezige glastuinbouw, vollegronds-tuinbouw, bollenteelt en ook de akkerbouw. De commissie wil daarom aandringen op het aanleggen van zoetwatervoorraden binnen de regio’s. Ook de verdeling van rivierwater over diverse watervragers verdient een kritische afweging” ( einde citaat WB21).

Over de droogte van 1920-1921 heeft  Ad Vermaas in 1996 in de Weerspiegel (het blad van de Vereniging voor Weerkunde en Klimatologie) een buitengewoon goed leesbaar stuk geschreven, dat nog steeds actueel is. Eerder schreef ik zelf “Droogte en drinkwater” en “De honger naar zoet water”.

Er moet echt wat gaan gebeuren. De droogteperiodes zullen toenemen met alle gevolgen van dien. De ervaringen uit het verleden kunnen ons helpen de juiste maatregelen te nemen. Dan zullen die ervaringen en de daaruit voortkomende adviezen wel ter harte moeten worden genomen.  De eerste stap moet zijn: eerlijke en juiste informatie. Zeker publicaties van de Unie van Waterschappen moeten niet alleen taalkundig kloppen maar ook de feiten dienen te kloppen. Dan is de kans dat de politiek de juiste maatregelen tijdig gaat nemen groter.

 

Louis van der Kallen.


 

DE ÉÉN ZIJN DOOD

 


| 25-08-2020 |

 

Als iemand overlijdt, is dat een verlies voor zijn omgeving en een verlies aan alles wat in zijn of haar brein is opgeslagen. Maar het betekent ook vaak dat zijn nalatenschap anderen inspireert. Soms is het omdat in een in memoriam zijn of haar werk weer wordt belicht en soms is het omdat de feitelijke, materiële nalatenschap een ‘nieuw leven’ krijgt. Zo hebben vanuit de nalatenschap van de oud-archivaris van Bergen op Zoom Willem van Ham mij een aantal documenten en boeken bereikt die mij aanzetten tot nader onderzoek en beschouwingen naar de waterschapgeschiedenis van onze West-Brabantse regio.
In de stukken die ik uit de nalatenschap ‘Van Ham’ heb mogen ontvangen zaten twee A’4-tjes, vermoedelijk in de jaren vijftig zestig van de vorige eeuw met de typemachine aan beide zijden beschreven en aangevuld met de vulpen. De A’4-tjes bevatten gegevens omtrent de ontwikkeling van de tarieven van meer dan 150 regionale waterschappen over de periode 1914- 1955.
 
Bij de ruim 150 waterschappen op de “Van Ham A’4-tjes” zaten veel namen die ik niet direct kon thuisbrengen. De tarieven verschilden enorm. In 1955 kwam je tarieven tegen van 54 cent per hectare (Brabantse Biesbosch) tot 65 gulden per hectare (Hogerwaard, op de grens van Noord-Brabant en Zeeland). Ook binnen gemeenten konden de tarieven per hectare enorm verschillen. Als voorbeeld de gemeente Bergen op Zoom. Voor waterschap De Zoom 66 cent, voor waterschap De Augusta 12,88 gulden en voor waterschap De Gertruidapolder 50 gulden per hectare.
 
Niet altijd is nu goed te duiden wat dit soort verschillen veroorzaakte. In 1955 waren de meeste waterschappen echte polders. Het grootste deel van de hoge zandgronden waren nog niet gebracht onder waterschapbeheer.
Wat ook verbaasde, is het verloop van de tarieven tussen 1914 en 1955. We komen stijgingen tegen van circa 2200 procent (van 0,12 naar 2,63 gulden per hectare) bij het waterschap de Bovenmark. Maar ook een prijsdalingen zoals van bijvoorbeeld 10 % bij het waterschap Vliert en Ertveld (van 22,53 naar 20,45 gulden per hectare). In 40 jaar een daling van het tarief.
 
Wat nieuwsgierig maakt, is hoe bij fusies de prijsverschillen werden verwerkt. Wat ik graag zou weten, is hoe dat bijvoorbeeld is gegaan bij de vorming van het waterschap de Agger in 1988 waar 13 waterschappen werden samengevoegd tot één nieuw De Agger. De tarieven verschilden in 1955 nog enorm van 0,66 (de Zoom) en 1,00 gulden ( Noordkil van Ossendrecht) als twee laagste tot de 11 andere waterschappen die tarieven hadden tussen de 12,88 (de Augusta) tot 45,25 gulden per hectare (De Zuidpolder onder Ossendrecht). Natuurlijk waren de tarieven in 1988 tijdens de fusie vast anders dan in 1955. Maar de verschillen zullen in 1988 nog steeds groot geweest zijn.
 
Als raadslid maak ik met regelmaat discussies mee over de verschillende tarieven bij verschillende gemeenten. Zeker als bijvoorbeeld weer een vergelijkend onderzoek de media heeft gehaald. Dan wordt over een verschil van 20 % al politiek kabaal gemaakt. In de wereld van de waterschappen is sinds de jaren vijftig het aantal waterschappen door fusies verminderd van circa 2500 (1950) naar 21 nu. Daarbij halveerden soms de tarieven van samengevoegde waterschappen. De desbetreffende boeren en burgers waren blij, maar tegelijkertijd verveelvoudigden voor anderen bij die fusie de tarieven.
 
Ik denk dat toen het waterschap de Zoom en het waterschap de Noordkil opgingen in De Agger in 1988, de boeren en grondeigenaren in het waterschap de Zoom misschien wel tien keer meer gingen betalen terwijl die van Waterschap de Zuidpolder hun tarieven zagen halveren. Destijds zagen we geen tractors oprukken naar de gemeentehuizen of het provinciehuis.
 
 
Ik ben benieuwd hoe de burgers en bedrijven van Steenbergen en Woensdrecht zullen reageren als er een gemeentelijke herindeling komt waarbij bijvoorbeeld de gemeenten Bergen op Zoom, Steenbergen en Woensdrecht samengevoegd worden en zij de aanslagbiljetten zien van de nieuwe Brabantse Wal-gemeente. Van die van Bergen weet ik het wel. Die trekken dan een fleske open. Boeren en grondeigenaren zijn vermoedelijk anders dan burgers! Of zou het komen dat in 1988 de waterschappen nog boerenrepublieken waren en het bestuur hooguit een enkele politicus zoals ik bevatte? Of waren de boeren van toen solidair met elkaar en zouden burgers daar nog iets van kunnen leren?
 
Interesse in de stamboom (meer dan 230 rechtsvoorgangers) van het waterschap Brabantse Delta er uit zie. Kijk dan eens op: Stamboom
Probeer eens de in dit stuk genoemde waterschappen te lokaliseren. Bij drie gaat dat niet lukken want die liggen buiten het werkgebied van de Brabantse Delta.
 

https://kijkopbergenopzoom.nl/opinie-de-een-zijn-dood/

Louis van der Kallen.