WATERTOETS – 0022

 


 

Bergen op Zoom, 11 december 2006

 

Dagelijks Bestuur van het

Waterschap Brabantse Delta

per e-mail [email protected]

 

Betreft: watertoets als schaamlap

 

Geacht Bestuur,

Volgens de handreiking “Watertoets” van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat is een watertoets geboden voor alle plannen, waarbij een ruimtelijke procedure wordt gevolgd. Voorbeelden zijn: bestemmingsplannen, structuurplannen, streekplan, zelfstandige projectprocedures (ex art. 19 lid 1 WRO), enz.

Volgens de voornoemde handreiking dienen de eventuele maatregelen opgenomen te worden in de toelichting bij de voornoemde ruimtelijke plannen. Een prachtig verplicht procesinstrument dat leidt tot veel werk bij waterschappen, maar dat feitelijk niet leidt tot de gewenste resultaten. Het is niet meer dan een doekje voor het bloeden of in mijn beleving ‘een schaamlap’, waarmee de wetgever ons (het waterschap) heeft opgezadeld.

De waterparagraaf staat bij de mij bekende nieuwe bestemmingsplannen altijd in de zogenaamde toelichting van de bestemmingsplannen. Dit is conform de voornoemde handreiking. Echter de toelichting is niet bindend. Dus niet juridisch afdwingbaar!

Alleen de voorschriften zijn bindend en juridisch afdwingbaar.

Vrijwel al het werk van het waterschap inzake waterparagrafen in bestemmingsplannen is feitelijk ‘water naar de zee dragen’ en is slechts van marginale invloed op de waterproblematiek en de wateropgaven waarvoor Nederland en ons territoir met name zich gesteld ziet.

Ondergetekende constateert dat bijvoorbeeld in het bestemmingsplan Fort/Zeekant in de gemeente waar ik raadslid ben, de waterparagraaf niet wordt uitgevoerd. Projectontwikkelaars hebben er simpelweg het geld niet voor over. Van de mooie waterbergingsplannen per individuele woning of bouwplan komt dus niets terecht.

Ik verzoek U dringend deze problematiek onder de aandacht van de Unie en het Ministerie te brengen.

De watertoets is goed, mits deze leidt tot de opname van afdwingbare voorschriften in alle ruimtelijke plannen.

Met vriendelijke groet,

Louis van der Kallen

c.c. fracties 2e kamer

fracties Provinciale Staten

college van B&W gemeente Bergen op Zoom

 


HANDHAVING BESTEMMINGSPLAN – 0020

 


 

Bergen op Zoom, 11 september 2006

 

Aan het Dagelijks Bestuur van het

Waterschap Brabantse Delta

Per e-mail

Geacht Dagelijks Bestuur,

Sinds 2002 is de waterparagraaf een vast onderdeel van de nieuwe bestemmingsplannen. In het proces om te komen tot een nieuw bestemmingsplan wordt het Waterschap dan ook betrokken. Maar wat levert dit in feite op? Dus wat is de werkelijkheid ten opzichte van de papieren waarde van een bestemmingsplan?

Een voorbeeld uit Bergen op Zoom:

In het bestemmingsplan Het Fort Zeekant in paragraaf 3.6.2 staat in de toelichting op pagina 25 vermeld: “In het geval van nieuwbouw moet voor zowel de grondgebonden woningen, gestapelde woningen en voor de bedrijfspanden door de eigenaren een regenwateropvang worden gerealiseerd ten behoeve van toiletspoelingen, beregening van tuinen en voor autowassen. De buffercapaciteit van de voorziening dient ten minste 3.0 m3 per wooneenheid te bedragen.”.

De werkelijk is dat het voornoemde voorschrift niet in de praktijk wordt gebracht. Formeel omdat er bij pilotprojecten elders in het land foutieve aansluitingen zijn geweest, die hebben geleid tot ziektegevallen.

Mijn (off the record) informatie is dat aannemers en projectontwikkelaars dit soort voorschriften kostprijs opdrijvend vinden en er daarom niet aan mee willen werken. Het gebeurt nu alleen nog ‘op basis van vrijwilligheid en eigen initiatief’. Niet dus!

In nieuwe (Bergse) bestemmingsplannen komt deze paragraaf dan ook niet meer voor. Gelet op het feit dat de noodzaak van waterberging en hergebruik nog immer actueel is, vind ik het buitengewoon jammer dat een dergelijk voorschrift in nieuwe bestemmingsplannen (klaarblijkelijk met Uw toestemming) ontbreekt.

Wat ik ergerlijk vind, is dat zonder een formele aanpassing van een bestemmingsplan een onderdeel van de waterparagraaf door een gemeente ter zijde wordt geschoven, zonder dat dit leidt tot handhavingsacties c.q. verzoeken tot handhaving bij bijvoorbeeld de provincie.

Welke acties onderneemt Uw bestuur om de afspraken, gemaakt met gemeenten, die neergelegd zijn in bestemmingsplannen, ook feitelijk tot uitvoer te brengen?

Of is de waterparagraaf feitelijk vrijblijvend en eindigt de bemoeienis van het Waterschap bij de vaststelling van een bestemmingsplan?

Met vriendelijke groet,

Louis van der Kallen

 


KIERBESLUIT – 0019

 


 

Bergen op Zoom, 26 augustus 2006

 

Dagelijks Bestuur van het

Waterschap Brabantse Delta

per e-mail [email protected]

 

Geacht Bestuur,

Uit de Haringvlietkrant begrijp ik dat in de droge periode van november 2005 er een zogenaamde achterwaartse verzilting (via Nieuwe Waterweg, de Oude Maas, het Spui en de Dordtsche Kil) heeft plaatsgevonden van het Haringvliet en het Hollandsdiep.

Ruim twee maanden kon het drinkwaterbedrijf Evides geen water innemen.

Deze verzilting is relatief uitzonderlijk. Maar met een stijgende zeespiegel en mogelijk langere perioden van lage rivierafvoeren zou dit vaker op kunnen gaan treden.

Reeds eerder heb ik uitgesproken dat de zoetwatervoorziening van West-Brabant o.a. door de zoet/zout-discussies over het Volkerak/Zoommeer bedreigd kan worden.

Nu viel deze achterwaartse verzilting ver buiten het groeiseizoen. Wanneer dit echter gebeurt in de zomer, kan dit ernstige gevolgen hebben voor onze waterinlaatmogelijkheden.

Het nieuwe beheer van de Haringvlietsluizen doet ook in droge perioden een extra beroep op de beschikbaarheid van zoet water en beperkt eventuele doorspoelmogelijkheden van het Volkerak/Zoommeer ten behoeve van de bestrijding/voorkoming van blauwalgen.

Is het niet tijd om op basis van de huidige kennis en de per mei 2006 bijgestelde klimaatmodellen het zogenoemde Kierbesluit ter discussie te stellen, onder het motto beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald?

Met vriendelijke groet,

Louis van der Kallen

 


DEELGEBIEDSRAPPORTAGE – 0018

 


 

Bergen op Zoom, 15 juli 2006

 

Aan het Dagelijks Bestuur van het

Waterschap Brabantse Delta

Per e-mail

 

Geacht Dagelijks Bestuur,

Helaas was ik 19 juni verhinderd. Ik heb echter wel enkele opmerkingen c.q. vragen ten aanzien van de “Deelgebiedsrapportage Brabantse Delta”.

1. Op pagina 26 is te lezen “Voor het deelgebied Brabantse Delta” zijn door de werkgroep geen maatregelen als onhaalbaar benoemd omdat dat onderwerp behoort te zijn van een bestuurlijke discussie”. Op pagina 28 is te lezen: “Maar ook hier zijn grenzen aan wat maatschappelijk haalbaar en realistisch is; maatregelen die een aanzienlijk negatief effect hebben op andere gebruiksfuncties worden niet overwogen.”.

– Deze twee citaten lijken met elkaar in tegenspraak! Behoren de maatregelen van het citaat van pagina 28 geen onderwerp te zijn van een bestuurlijke discussie?

2. Op pagina 27 is te lezen: “De uitvoering van deze bestaande EU-richtlijnen wordt in de KRW nadrukkelijk omschreven als te nemen basismaatregel. Voor het beheersgebied van Brabantse Delta is ervan uitgegaan dat deze maatregelen al voorzien zijn in het huidige bestuursprogramma van het waterschap Brabantse Delta 2005 t/m 2005”.

– Wat is de grond of onderbouwing van “is ervan uitgegaan”?

– Waarom staat er niet “is voorzien” ?

3. Op pagina 57 is te lezen: “Wanneer voor end-of-pipe maatregelen wordt gekozen (bijvoorbeeld bergbezinkbassins), moet deze basisinspanning inmiddels gerealiseerd zijn”.

– Uw bestuur en ik weten dat dit niet het geval is. Waarom wordt in deze rapportage niet van de werkelijke situatie uitgegaan? Dat zou het startpunt moeten zijn voor de aanpak!

4. Op pagina 65 worden de ‘meest kosteneffectieve maatregelen’ aangegeven waarbij ‘de kosten op basis van kentallen zijn bepaald’.

– Onder de kop terrestrische ecologie wordt vaak het verwijderen van de bovengrond genoemd. Zijn bij het bepalen van de kosten de archeologische meegenomen?

5. Op pagina 74 wordt gesteld dat “de kennis van bronnen van bepaalde stoffen schiet in Roosendaal ernstig tekort”. Op pagina 87 wordt gesteld: “De KRW maakt het noodzakelijk dat er bij een aantal gemeenten meer kennis en aandacht voor ecologie en waterkwaliteit aanwezig is”.

– “een aantal gemeenten”: over welke gemeenten hebben wij het en hoe stimuleert/ organiseert het dagelijks bestuur dat er meer kennis en aandacht voor ecologie en waterkwaliteit bij gemeenten ontstaat?

6. Op pagina 76 is te lezen: “De deelnemers zien mogelijkheden in bijvoorbeeld een apart investeringsfonds, dekking vanuit een verbrede rioolheffing of (aanvullende) subsidies vanuit het rijk/Europa”.

– Dit lijken meer wensen dan werkelijke (huidige) mogelijkheden! Of bestaan er nu reeds mogelijkheden?

7. Op de laatste pagina van bijlage 6 is te lezen: “Het is derhalve niet relevant in deze fase na te gaan hoe ver gemeenten zijn met de basisvoorzieningen en welke kosten daarvoor zijn gemaakt”.

– Hoe is dit citaat te rijmen met het onder 3 genoemde citaat dat ‘de basisinspanning inmiddels gerealiseerd moet zijn?

– Ondergetekende vindt het van het grootste belang dat wel geïnventariseerd wordt hoe ver gemeenten zijn met de basisinspanning. Het is van het grootste belang wat de actuele situatie is ten aanzien van de basisinspanning!

Uw reactie tegemoet ziende,

met vriendelijke groet,

L.H. van der Kallen

 


B&W GEMEENTE BERGEN OP ZOOM INZ. SAMENWERKING INNING BELASTINGEN – A010

 


 

Bergen op Zoom, 10 april 2006

 

Aan het College van Burgemeester

en Wethouders der Gemeente

Bergen op Zoom

Postbus 35

4600 AA Bergen op Zoom

 

Betreft:  samenwerking inning belastingen, ons nummer LK/6015

 

Geachte College,

Recent is verschenen “Waterschappen zoeken fiscale partners”, een uitgave van de Unie van Waterschappen. Deze rapportage bevat een aantal behartigingswaardige zaken en voorbeelden hoe heffing en invordering van belastingen door decentrale overheden als gemeenten en waterschappen geoptimaliseerd kunnen worden, alsmede efficiënter en daardoor dus kostenbesparend.

Mede door het grote aantal overeenkomsten in de procesonderdelen op het gebied van o.a.:

–         het beheer van de basisgegevens

–         de aanslagregeling en invordering

–         de fiscaal-juridische zaken

–         de procesbeheersing

–         de contactpunten/bronnen van gegevens (GBA, Kadaster, WoZ en TPG)

kunnen er grote inverdieneffecten zijn.

Het Samenwerkingsverband Vastgoedinformatie Heffing en Waardebepaling (gestart in 1977) is daar een goed voorbeeld van (2 waterschappen en 16 gemeenten, deels buiten de waterschapsregio). Dit samenwerkingsverband doet de uitvoering van de Wet WoZ voor de deelnemers tegen de laagste kosten van Nederland (€ 9,40 per object in 2004). Het landelijk gemiddelde ligt op € 20,05 en er zijn gemeenten waar de kosten pieken tot € 65,– per object.

Voorwaar een voorbeeld dat navolging verdient.

In het besef dat de fysieke plek van de dienstverlening door alle ICT-ontwikkelingen minder belangrijk wordt en massale administratieve processen door deze ontwikkelingen eenvoudiger, efficiënter en klantgerichter kunnen, verzoekt de BSD-fractie Uw college een dergelijke samenwerking met andere gemeenten en waterschap(pen) te onderzoek/overwegen c.q. aansluiting van gemeenten in West-Brabant bij het Zuid-Hollandse initiatief na te streven.

Gaarne een reactie in de commissie Middelen en/of Algemeen Bestuurlijke Zaken.

Met vriendelijke groet,

Namens de BSD fractie,

Louis van der Kallen

 


VOLKERAK-ZOOMMEER AFWENTELEN – 0016

 


 

Bergen op Zoom, 29 maart 2006

 

Aan het Dagelijks Bestuur van het

Waterschap Brabantse Delta

Per e-mail

 

Geacht Dagelijks Bestuur,

Bedankt voor Uw snel antwoord op mijn brief van 3 maart 2006. Uw antwoorden roepen echter een reactie op.

Ad vraag 1

U vergast mij op 17 regels tekst zonder echter antwoord te geven op mijn vraag “op welke concrete SCHRIFTELIJKE toezeggingen waren……”

Wel “bij monde” en “de uitspraak”. Graag de schriftelijke toezeggingen vermelden!

Of als ze er niet zijn: meldt dit dan!

Ad vraag 2

Acht U de ‘kwalificatie’ “relatief onervaren waterschapsbestuurder” misplaatst voor iemand, die maar liefst 15 maanden een functie bekleed in een waterschapsbestuur? Zo ja, dan verbaast mij dit zeer! Feitelijk diskwalificeert U dan de functie van DB lid tot een functie, waar je klaarblijkelijk al na 15 maanden als (zeer) ervaren moet worden gekwalificeerd.

Bij de beoordeling van de vergoeding mag daar dan rekening mee gehouden worden en is de vergoedingsnorm (salarisklasse) dus te hoog vastgesteld!

U leest uit het verslag van de Gorinchem-bijeenkomst inzake de PKB “een adequate inbreng van het DB met behulp van een adequate ambtelijke ondersteuning”.

Mijn conclusie is een andere. Uit het verslag blijkt dat er geen ambtelijke aanwezigheid was van het waterschap. Het standpunt was slechts een ambtelijk voorbereide inbreng die werd voorgelezen/voorgedragen. Tevens ontbrak een reactie op een inbreng van de staatssecretaris!

Wanneer U dit desondanks adequaat vindt, dan acht ik dat een brevet van onvermogen van Uw totale DB!

Ad vraag 3

Er is afgesproken inclusief handtekeningen “niet afwentelen”.

Nu vindt U het gepast en bent U tevreden als de staatssecretaris zegt: “Slechts als de problemen onevenredig veel op de regio worden afgewenteld zal het Rijk naar een oplossing zoeken.”.

Evenredig afwentelen mag? Wat is het papier van “niet afwentelen” dan waard? Wie bepaalt wat “onevenredig afwentelen” is?

Dit AB lidt acht dit een slaafse houding van Uw DB aan de staatssecretaris. Dit AB lid heeft dit DB gekozen om de belangen van dit waterschap te behartigen binnen de wet (inclusief de gesloten akkoorden). Nu constateer ik dat Uw DB dat niet doet en dit niet doen zelfs adequaat vindt.

Ad vraag 4

Indien Uw antwoord juist zou zijn, en dat zou ik graag aan willen nemen, kunt U dan verklaren waarom in de MER inzake de PKB Ruimte voor de Rivier het Volkerak/Zoommeer-systeem niet is opgenomen?

Indien de kaart in de PKB deel 1 een vergissing was, dan had het Volkerak/Zoommeer-systeem opgenomen dienen te zijn in de opgestelde MER. Dit is niet het geval. Dus de kaart in de PKB deel 1 is geen vergissing. Of er is sprake van maar liefst twee vergissingen tegelijkertijd.

De analyse van dit AB lid is dat dit laatste onwaarschijnlijk is en mijn oorspronkelijke analyse blijft ‘juridisch trucje’.

Mogelijk vindt U dit alles overdreven, maar het verschil tussen “geen afwenteling” en “geen onevenredige afwenteling” kan wel eens tientallen miljoenen verschil betekenen voor dit waterschap en haar contribuanten. En daar maak ik mij ongerust en druk over en dat zou Uw DB ook moeten doen.

Ik maak mij nog meer ongerust als ik een “insider-voorschotje” neem op de veranderingen in de klimaatscenario’s die de staatssecretaris 29 mei bekend zal maken. Houdt U vast!

We hadden drie, men zei realistische, scenario’s. Straks nog maar twee.

Het lage scenario wordt geschrapt. Het wordt niet meer als realistisch ingeschat. Maar wat erger is: de neerslaginschatting in de winter wordt verhoogd. Dus meer kans op hoog water (door de achterdeur). Wat er bijkomt is dat in de winter de dominantie van de westenwinden ook wordt verhoogd, dus meer kans op hoog water (voor de voordeur).

Resultaat: meer kans op hoog water, dat je niet snel kwijt kunt omdat het water op zee gestuwd wordt en/of de hoogwaterkeringen gesloten zijn.

Zo kort nadat ze waren vastgesteld worden de scenario’s herzien en niet onaanzienlijk. Zo wordt de voorziene jaarlijkse zeespiegelstijging in het voormalige middenscenario met 50 % verhoogd van 2 mm per jaar naar 3 mm per jaar.

Maar ach, wat zou het DB zich zorgen maken, de staatssecretaris bepaalt wanneer afwentelen onevenredig wordt en het is vast redelijk.

Ik denk redelijk voor de burgers en belangen van de randstad! Maar ach, ik ben een AB lid, waarvan men de kwalificaties “verre van zich werpt”.

Hoogachtend,

het individuele AB lid

L.H. van der Kallen

 


B&W GEMEENTE BERGEN OP ZOOM INZ. VOLKERAK-ZOOMMEER – A008

 


 

Bergen op Zoom, 28 februari 2006

 

Aan het College van Burgemeester

en Wethouders der Gemeente Bergen op Zoom

Postbus 35

4600 AA Bergen op Zoom

 

Betreft: Volkerak-Zoommeer, kenmerk LK/6009

 

Geacht College,

Zaterdag 25 februari 2006 is bij ondergetekende de PKB Ruimte voor de Rivier, delen 2 en 3 op de mat gevallen. Bij het doorlezen van de ruim 280 pagina’s ben ik niet vrolijker geworden. Sterker nog, ik voel mij met een kluitje in het riet gestuurd door Uw College, als het gaat om de zekerheden, verkregen door Uw College ten aanzien van de beveiliging tegen wateroverlast van ons gemeentelijk territoir ingeval van de voorgenomen waterberging in het Volkerak-Zoommeer-systeem.

Wethouder Withagen heeft een en andermaal verzekerd dat het Kabinet bij monde van de Staatssecretaris oog en geld zou hebben voor de Bergse en West Brabantse problemen (water stopt immers niet bij de gemeentegrens). Een specifieke reservering voor het Volkerak-Zoommeer-probleem, in geval van berging, is in de stukken niet te vinden!

Maar wat nog veel erger is: de Staatssecretaris legt de bal allereerst bij de gemeenten en waterschappen (zonder er geld bij te leggen). Het verslag van het bestuurlijk overleg in Gorinchem op 6 september 2005 is glashelder:

“De effecten bij de gemeenten in West-Brabant bij waterberging op het Volkerak-Zoommeer, zijn bekend. Ook in het verleden is deze maatregel al eens ingezet en zijn effecten op lokaal gebied gesignaleerd. Een gemeente of het waterschap moet gesteld staan voor haar eigen waterprobleem. In het Nationaal Bestuursakkoord Water is overeen gekomen dat gemeenten op regionaal niveau hun problemen moeten oplossen. Hiervoor is als eenmalige stimulans ? 100 mln. subsidie beschikbaar gesteld. Slechts als de problemen onevenredig veel op de regio worden afgewenteld zal het rijk naar een oplossing zoeken. Als Bergen op Zoom inderdaad geen kant op kan dan moeten we daar goed naar kijken. Ruimte voor de Rivier mag niet leiden tot overstromingen in een gemeente, maar de regionale overheden moeten ook hun eigen verantwoordelijkheid nemen.”.

De genoemde 100 miljoen is een oude toezegging, die inmiddels reeds lang is uitgegeven middels subsidies verstrekt aan gemeenten en waterschappen in het gehele land.

Geen nieuw geld dus en die pot is reeds leeg en was meerdere malen overtekend.

Wat de D66/BSD-fractie bij kans onverteerbaar vindt is, dat Uw College bij dit overleg niet vertegenwoordigd was door de Wethouder die zich opwerpt als de ‘kampioen waterbeheerder’, maar door de in Gorinchem zwijgzame heer Janssen en een ambtenaar. Van deze vertrekkende Wethouder, een partijgenoot van de Staatssecretaris, was toch nauwelijks weerwoord te verwachten. Het kwam dus ook niet.

Het is een gotspe dat West-Brabant en Bergen op Zoom moeten dokken en met de problemen worden opgescheept door en van anderen. De rapportage Togtema en het Nationaal Bestuursaccoord Water worden met de voeten getreden en Bergen op Zoom zwijgt!

Het enige wat in de PKB deel 3 (het kabinetsstandpunt) staat over de berging op het Volkerak-Zoommeer is:

“De inzet van de maatregel kan de afwatering van de Brabantse Delta bemoeilijken. Dit zal in de planstudie nader worden onderzocht.”.

en

“Met de maatregel berging op het Volkerak-Zoommeer wordt dijkversterking in een groot gebied voorkomen. De mogelijk negatieve effecten voor de regionale afwatering en de specifieke effecten bij het Waterfront Tholen, het recreatiegebied Speelmansplaten, steigers in havens en mogelijk andere gebieden zullen in de vervolgfase nader worden bekeken. In deze vervolgfase zullen de opties om deze effecten alsnog te vermijden of te compenseren worden onderzocht.

In de kostenraming bij deze PKB is rekening gehouden met de mogelijk noodzakelijke extra maatregelen voor het behouden van de veiligheid van het regionale watersysteem.”.

In de kostenraming is echter geen geld te vinden voor het gemelde!

Eén van de trucjes van het Kabinet is regelrechte misleidende handigheid.

Het plangebied is tussen de PKB deel 1 en de PKB deel 3 gewijzigd. Dit zonder een vermelding in de tekst.

In deel 1 is op kaart 1 de topografie van het plangebied afgebeeld (zonder het Volkerak-Zoommeer).

In deel 3 is op kaart 1 de topografie van het plangebied afgebeeld (met het Volkerak-Zoommeer).

De MER over het plangebied is echter zonder het Volkerak-Zoommeer uitgevoerd!

Ondergetekende heeft geen aankondiging van een nieuwe MER of een MER speciaal voor het Volkerak-Zoommeer kunnen vinden. Dit is naar de mening van de D66/BSD-fractie in flagrante strijd met de wet en regelgeving.

Vragen ex artikel 37
1.Op welke concrete schriftelijke toezeggingen waren/zijn de namens het College uitgesproken “Bergen op Zoom zal gecompenseerd worden voor de te nemen maatregelen” gebaseerd?
2.Waarom was Wethouder Janssen op 6 september 2005 bij het bestuurlijk overleg in Gorinchem en niet de ‘waterwethouder’ Withagen?
1.Waarom zijn de woorden van de Staatssecretaris “Een gemeente of het waterschap moet gesteld staan voor haar eigen waterprobleem” niet meteen weersproken? Het probleem wordt immers veroorzaakt door anderen. In het Nationaal Bestuursaccoord Water is immers afwentelen verboden! Of gelden voor het Rijk andere regels?
2.Wat denkt de gemeente te gaan doen aan de trucjes inzake het plangebied?
3.Is het College bereid hier tegen juridische stappen te ondernemen?

Uw reacties afwachtend,

Hoogachtend,

Namens de D66/BSD-fractie,

Louis van der Kallen

 


BEGROTINGSVERGELIJKING 2005 – 0010

 


 

Bergen op Zoom, 1 augustus 2005

 

Dagelijks Bestuur van het

Waterschap Zeeuwse Eilanden

per e-mail

 

Geacht Bestuur,

Recent is verschenen de begrotingsvergelijking 2005 “beleidsambities en lastendruk vergeleken” van de Vereniging van Directeuren van Waterschappen.

Het doet mij deugd dat ons waterschap er niet slecht uitkomt. Er blijven echter altijd een aantal verbeteringen mogelijk c.q. vragen te beantwoorden.

Pagina 20, tabel 7/pagina 27 tabel 13

Bij vrijwel alle beleidsthema’s scoort WZE boven gemiddeld, op het thema grondwater-problematiek na, waar wij tot de achterhoede horen.

Uit tabel 13 blijkt dat er geen sprake is van een actieve samenwerking met gemeenten bij het stedelijk grondwater.

VRAGEN

1. Er is wel degelijk sprake van een stedelijk grondwaterprobleem. Wat zijn de motieven om af te zien van een actieve rol bij de aanpak van de grondwaterproblematiek?

2. De meeste andere waterschappen zien de samenhang tussen oppervlakte water en de grondwaterproblematiek en dringen bij de provincies aan op een waterschappelijke rol in deze. Waarom heeft WZE op dit punt niet aangedrongen op de overdracht van provinciale bevoegdheden?

3. Uit tabel 10 blijkt dat ten aanzien van watertekort er per eind 2005 geen calamiteitencommissie zal zijn bij WZE. Tevens blijkt uit deze tabel dat het “percentage landelijk gebied waarvan GGOR opgesteld” nul bedraagt. Binnen het kader van het Nationaal Bestuursaccoord Water (NBW) is dit alles wel geboden. Waarom blijft WZE hier achter?

Pagina 28, tabel 14

Hier is een compliment op zijn plaats. WZE is koploper ten aanzien van het percentage gemeenten waarmee optimalisatiestudies afvalwaterketen (OAS-studies) zijn uitgevoerd.

Een minpunt hier lijkt het feit dat men op ‘plannen anders dan bestemmingsplannen’slechts op ad-hoc-basis een watertoets loslaat.

VRAAG

4. Wat zijn de criteria voor ad-hoc?

Pagina 30, grafiek 1

In de kosten van planvorming als percentage van de totale kosten voor waterkering, waterkwaliteit, waterkwantiteit, wegenbeheer en vaarwegenbeheer is WZE een negatieve uitschieter met meer dan 14 % bij een mediaan van ca. 4 %.

VERZOEK

Het komt mij voor dat een grondige analyse hier op zijn plaats is. Ondergetekende verzoekt Uw DB een dergelijke analyse uit te voeren en terug te koppelen naar de commissie financiën.

Pagina 32

Uit tabel 15 blijkt dat het percentage primaire keringen dat eind 2005 voldoet aan de veiligheidseisen slechts 60 % is.

VRAAG

5. Is dit juist? Wat mankeert er aan? Welke keringen betreft het en welke acties lopen er om hier verbetering te bekomen?

Pagina 38

Uit tabel 18 blijkt dat wij als enig waterschap ruim gaan voldoen aan de realisatie eisen van natte ecologische verbindingszones! Een groen compliment waard!

Pagina 40

Uit tabel 19 blijkt dat slechts voor 15 % van het WZE areaal een conserverend peilbeheer gevoerd is.

VERZOEK

Kan in deze het beleid eens worden toegelicht?

Pagina 41

Wederom een compliment. Als één van de weinige waterschappen scoren wij 100 % als het gaat om het aantal gemeenten met een stedelijk baggerplan in het kader van het tienjarenscenario. Een optimaal resultaat om subsidies binnen te halen.

Pagina 45/46

Met groene vreugde gelezen onder het kopje ‘percentage fosfaatverwijdering middels biologische wijze’: “Uitschieters naar boven liggen rond de 90 % of nog hoger, waarbij Zeeuwse Eilanden de kroon spant met 100 %. Dit betekent dat er geen chemicaliën behoeven te worden ingezet voor het defosfateringsproces, hetgeen een milieuvoordeel oplevert”.

Je zou bijna denken dat al die groene complimenten komen omdat we een actieve groene fractie hebben.

Naar aanleiding van het hoofdstuk ‘vergunningverlening en handhaving keur’

VRAAG

6. Hoe staat het met de digitalisering van het proces van een keurvergunningsaanvraag en verlening? Bijvoorbeeld aanvraagformulier en indiening via internet.

Een drietal waterschappen hebben in de keur voorschriften opgenomen voor natuurlijkvriendelijk onderhoud. Mogelijk ook iets voor WZE om bij de eerstvolgende keuraanpassing mee te nemen.

Pagina 58

Tabel 26 laat zien dat WZE het slechtste scoort op het gebied van het percentage lozingen voorzien van een adequate vergunning en ook het gebruik van beoordelingsmethodieken bij een vergunningsaanvraag is bij ons erg laag.

VRAAG

7. Zijn de vermelde cijfers juist? Zo ja, wat zijn dan de inspanningen c.q. planning om aan deze onwenselijke situatie een eind te maken?

Pagina 60

“Rivierenland, Rijnland en Zeeuwse Eilanden gebruiken blijkbaar in alle gevallen het vergunningsinstrument (want er wordt ook niet passief gedoogd)”.

VRAAG

8. Het vorenstaande lijkt in strijd met de ’51 % adequate vergunningen’ in tabel 26. Is het gestelde in het citaat van pagina 60 juist?

Pagina 66

Grafiek 10 laat zien dat de kosten per aanslagregel bij WZE veruit de hoogste zijn van alle waterschappen, ruim € 12, terwijl de mediaan ruim € 5 is.

VERZOEK

Dit vereist een analyse naar de opbouw van deze invorderingskosten en naar de mogelijkheden tot bezuinigingen. Ondergetekende verzoekt Uw DB deze acties te ondernemen en daarvan verslag uit te brengen aan de commissie financiën.

Pagina 68, 72 en 74

Tabel 28 (beleidsaspecten bestuur) en tabel 32 (beleidsaspecten externe communicatie) laten zien dat die aspecten uitstekend geregeld zijn en ook nog, zo blijkt uit grafiek 11, tegen de laagste kosten! Wederom een compliment waard.

Pagina 75/83, hoofdstuk 16

‘De ontwikkeling kosten en belastingopbrengsten 2005-2009’ roepen een aantal vragen op.

taak ontwikkeling kosten ontwikkeling opbrengsten
waterkering – 8 % – 1 %
waterkwantiteit + 18 % + 22 %
waterkwaliteit + 12 % + 15 %
wegenbeheer – 12 % – 6 %

Uit vorenstaande kosten- en opbrengstontwikkelingen over de periode 2005-2006 mag geconcludeerd worden dat er ruimte zit in de tariefsprognoses en dat deze mogelijk neerwaarts bijgesteld kunnen worden!

De voorziene kostenontwikkeling voor de waterkeringstaak lijkt in tegenspraak met de constatering uit tabel 15 (pagina 32) dat het aantal primaire keringen dat aan de veiligheidseisen voldoet slechts 60 % is.

Uw reacties tegemoet ziende,

met vriendelijke groet,

Louis van der Kallen

 


PKB RUIMTE VOOR DE RIVIER – 0009

 


 

Bergen op Zoom, 18 juli 2005

 

Aan het Dagelijks Bestuur van

Waterschap Rivierenland

per e-mail: [email protected]

 

Geacht Dagelijks Bestuur,

Als bijlage stuur ik U mijn reactie op de PKB Ruimte voor de Rivier.

Ik vraag Uw bijzondere aandacht voor de kosten-baten-analyse van de PKB Ruimte voor de Rivier, waarin op een aantal plaatsen te lezen is wat de overstromingsrisico’s zijn voor onze dijkringen.

Ondanks alle recente dijkverbeteringen zijn alle overstromingsrisico’s groter dan de wettelijke eisen, met uitschieters bij dijkringen 43 Betuwe- Tieler en Culemborgerwaarden en 24 Land van Altena. Deze overstromingsrisico’s zijn een veelvoud van de wettelijke normen en derhalve niet acceptabel.

Dit leidt tot een aantal vragen:

– Kloppen deze CPB cijfers?

– Zo ja, hoe is dit mogelijk en welke stappen worden er acuut ondernomen om aan deze onwettige en onveilige situatie een eind te maken?

Uw reactie afwachtend,

Met vriendelijke groet,

L.H. van der Kallen

 


PARLEMENTARIËRS INZ. KRW – A005

 


 

Bergen op Zoom, 9 juni 2005

 

Aan Parlementsleden

 

Geachte Parlementsleden,

Ondergetekende is bestuurlijk betrokken bij vier waterschappen (Zeeuwse Eilanden, Brabantse Delta, Rivierenland en Rijn en IJssel).

Op dit moment staat de Kaderrichtlijn Water bestuurlijk in de belangstelling.

Nederland maakt deel uit van vier grote Europese stroomgebieden (Schelde, Maas, Rijn en Eems). Tot op heden heb ik de Karakteriseringen van de Nederlandse stroomgebieden van Schelde en Maas gelezen en een poging gedaan me te verdiepen in de stukken en informatie over de betrokken stroomgebieden en België en Duitsland. Daar wordt je niet vrolijk van!

Door de verschillende systematieken, methoden en normen is vergelijken/afstemmen lastig. Toch is het Nederlandse belang in deze erg groot.

Middels citaten en verwijzingen naar teksten uit de Karakterisering van het Nederlandse Maasstroomgebied zal ik één en ander trachten te verduidelijken c.q. het belang van vergaande afstemming c.q. gelijkschakeling aan te tonen.

Omgang met verontreinigende stoffen
Op pagina 28 van de samenvatting laat figuur 18 zien dat bij de acht probleemstoffen in onze wateren veruit het grootste deel afkomstig is uit het buitenland:

zink ca. 80 %

fosfor ca. 70 %

stikstof ca. 70 %

koper meer dan 80 %

nikkel ca. 70 %

cadmium meer dan 90 %

benzo(k)fluorantheen ca. 95 %

PCB’s nagenoeg 100 %

Pagina 28 – samenvatting:

“Vanwege de benedenstroomse ligging is het bereiken van een goede ecologische toestand in de Nederlandse Maaswateren mede afhankelijk van de inspanningen die de bovenstrooms gelegen landen leveren om lozingen te verminderen en de waterkwaliteit te verbeteren.

Inzicht in die effectiviteit van maatregelen in Nederland en in de bovenstroomse landen is een nadrukkelijk punt van aandacht”.

Pagina 51 – hoofdrapport

“Uit de brede screenings blijkt ook dat het aantal meetlocaties waar diuron de MTR overschreed, in 2003 met ongeveer 60 % afgenomen was ten opzichte van 2000. Sinds 1999 is er in Nederland een verbod op het gebruik van dit middel. In enkele gebieden is het goed mogelijk dat het middel uit België afkomstig is, waar gebruik toegestaan is.”

Pagina 87 – hoofdrapport

“Diuron is veel gebruikt op verharde terreinen, maar is in Nederland inmiddels verboden.”

Verschillende methoden/normen
Pagina 67 – hoofdrapport

“De begrenzing (grondwaterlichamen) is in Duitsland en België anders aangepakt dan in Nederland. Hierover wordt bilateraal overleg gevoerd.”

“In Duitsland is een andere begrenzingsmethodiek gehanteerd.”

Pagina 69 – hoofdrapport

“Ook over de begrenzing van grondwaterlichamen ten westen van Maastricht (daar is de aansluiting tussen Nederlandse, drie Vlaamse en een Waals grondwaterlichaam onduidelijk) is afstemming noodzakelijk.”

Pagina 137 – hoofdrapport

“Nederland en België gaan verschillend te werk bij het opnemen van grondwaterlichamen voor menselijke consumptie in het register. In Nederland zijn alle grondwaterbeschermingsgebieden (per definitie) opgenomen in het register. In België is slechts een deel van de gebieden die in het nationale beleid beschermd worden, in het register opgenomen. Dit geeft verschillen aan de grens.”

De feitelijke verschillen (o.a. pag. 174 – hoofdrapport)

Nederland Vlaanderen Nordrhein-Westfalen
Waterlichamen 55 typen 9 typen 23 typen
Grondwater-lichamen grotere, geen onderscheid in lagenkleinere, alleen voor onttrekkingen menselijke consumptie kleiner dan Nederland, groter dan Nordrhein-Westfalen, deels verticaal kleine lichamenonderscheid
prioritairestoffen toetsen aan EC-voorstellen Fraunhofer Instituut toetsen aan nationale normen en Fraunhofer normen als vastgesteld toetsen aan nationale normen

Verder zijn er verschillen op: politieke aandachtspunten, het implementatieproces, het ambitieniveau, de risicoanalyse en de publieke participatie.

Wat gebeurt er of is er gebeurd
Pagina 13 – samenvatting

“Duitsland en België hebben grondwaterlichamen op een andere manier ingedeeld. In België is het grondwaterlichaam Zand in de verticaal onderverdeeld. In Duitsland zijn veel kleinere grondwaterlichamen onderscheiden. In een procedure van wederzijdse afstemming met de buurlanden is aan de Duitse grens een aantal (kleine) grensoverschrijdende grondwaterlichamen aangewezen, terwijl aan de Belgische grens rekening is gehouden met de verticale verdeling.”

Het is in de ogen van de tekstschrijvers geen groot probleem. Maar in de ogen van de ambtenaren en bestuurders die ik sprak, is er in ieder geval wel een probleem met de typologie-indelingen.

Nederland is voor de realisering van de doelen in 2015 en/of later, gezien de herkomst van het grootste deel van de vervuiling, grotendeels afhankelijk van de aanpak van de problemen bovenstrooms.

Op pagina 20 van de samenvatting en op pagina 113 van het hoofdrapport is te lezen dat één de uitgangspunten van de risicoanalyse is: “voor een realistische inschatting is aangenomen dat de belasting vanuit het buitenland niet merkbaar zal verminderen in de periode tot 2015.”

Het gebruik van andere typologieën, methoden en normen kan er toe leiden dat men ideale excuses en vertragingstactieken kan ontwikkelen om vooral niet of niet volledig te komen tot een effectieve aanpak van de problemen. Wij (Nederland) blijven dan als afvoerputje mooi zitten met de vuiligheid in onze wateren!

Pagina 9 – hoofdrapport

“De internationale coördinatie van een rapportage door de Internationale Maas Commissie richt zich op de grotere onderwerpen die relevant zijn voor het gehele internationale stroomgebied. Daarom is er aanvullend de noodzaak van bilaterale afstemming met direkt aangrenzende buurlanden. Het maasstroomgebied grenst aan de zuidkant aan Vlaanderen, in het uiterste zuidoosten aan Wallonië en in het oosten aan Nordrhein-Westfalen. Met uitzondering van Wallonië, heeft met deze partijen bilateraal overleg plaatsgevonden over de gehanteerde methoden.”

Pagina 67 – hoofdrapport

“De begrenzing van het diepgelegen grondwaterlichaam voor menselijke consumptie is al aangepast aan de Belgische indeling.”

Constateringen – conclusies

Pagina 41 – hoofdrapport

“Het wordt niet als een groot probleem ervaren dat er verschillen in de typologie zijn.”

VERZOEK

Ondergetekende verzoekt U parlementsleden alles te doen wat in Uw vermogen ligt om te komen tot een Europese invulling van de Kaderrichtlijn Water, zodat typologieën, normen en methoden afgestemd worden c.q. gelijk zijn.

Dan ontstaat de situatie dat dit kostbare, maar noodzakelijke proces om te komen tot gezonder water voor mens, dier en plant tot een succesvol einde wordt gebracht.

Maar wat bijna nog belangrijker is: het proces wordt transparant en afrekenbaar.

Als bestuurder en als burger zou ik dit graag zien.

Uw handelen afwachtend,

hoogachtend,

L.H. van der Kallen