AFSCHEID, MAAR GEEN SLOTWOORD

 

| 27-01-2018 | 10.00 uur |


 

AFSCHEID, MAAR GEEN SLOTWOORD

 

De afgelopen maanden heb ik afscheid genomen van het dagelijks bestuur van het waterschap Brabantse Delta. Ik blijf wel lid van het algemeen bestuur en blijf daarin de belangen van de ingezetenen en bedrijven behartigen. Sinds 2009, met een onderbreking van 15 maanden, heb ik deel uit mogen maken van het dagelijks bestuur. Voor mij was deze periode een voorlopig hoogtepunt in mijn politiek/bestuurlijke werk.

muraltmuur en havenhoofd, zeezijde

Sinds mijn tienerjaren was ik een bewonderaar van mooi dijkwerk. Ik schreef er over in Over Water 83. Ik ben dan ook vanaf 1993 bestuurlijk actief in waterschappen. Een aantal jaren was ik bij meerdere waterschappen tegelijk bestuurlijk betrokken. Op enig moment over de volle breedte van het land. Van Domburg tot Winterswijk. Dat was voor mij een prachtige tijd, waarin ik tal van ervaringen op deed en wat ik bij het ene waterschap leerde in praktijk kon brengen bij een ander waterschap. Daar kwam een einde aan door een wetswijziging waardoor alleen ingezetenen van een waterschap nog verkozen konden worden. Ik heb nog meer veranderingen door wetswijzigingen moeten ervaren.

Ik vind het jammer dat het waterschap ‘politiek’ is geworden met de invoering in 2009 van het lijstenstelsel, waardoor politieke partijen hun intrede deden in het waterschapsbestuur. Tot dat moment waren  waterschapsbesturen gekozen met een personenstelsel en werden dus individuen op eigen titel gekozen. Het waren stuk voor stuk bestuurders die zich betrokken voelden bij het waterbeheer. Veelal boeren of landeigenaren. In die wereld was ik een buitenbeentje. Een stedeling, zonder boerenwortels en zonder direct waterbelang. Zeker in de waterschappen buiten mijn eigen woonplaats was ik een buitenbeentje, waar men in het begin een beetje raar tegen mij aankeek. “Wat kom jij hier doen?” werd mij menigmaal gevraagd. Toch wenden de andere bestuurders snel aan dat manneke uit Bergen op Zoom. Ik voelde mij vaak na enkele maanden al geaccepteerd. Ook al kwam ik van buiten en was ik geen landbouwer, ik bracht kennis en liefde mee voor de waterbelangen. De grootste blijk van waardering was voor mij toen het Hoogheemraadschap Alm en Biesbosch werd opgeheven en er een vertegenwoordiging gekozen moest worden voor het overgangsbestuur van het waterschap Rivierenland. Ik werd als enige met algemene stemmen door het algemeen bestuur van het Hoogheemraadschap Alm en Biesbosch gekozen. Een groter compliment heb ik in mijn leven nooit gekregen. Buiten mij zelf kozen 39 AB leden voor een vertegenwoordiger van hen die buiten het eigen gebied kwam! Ik voelde mij vereerd met het vertrouwen dat in mij gesteld werd.

Als DB lid van het waterschap Brabantse Delta had ik primair een gebiedsportefeuille met de gemeenten: Drimmelen, Geertruidenberg, Oosterhout, Waalwijk, Gilze en Rijen, Dongen, Loon op Zand, Tilburg en Goirle. Binnen die gemeenten vielen onder ander projecten als de realisering van waterbergingen en EVZ’s en de doelstellingen van de kaderrichtlijn water onder mijn bestuurlijke verantwoordelijkheid. Verder was ik onder andere belast met archieven, cultuurhistorie en de versterking van de primaire waterkeringen. Ik heb met de ondersteuning van zeer betrokken gebiedsadviseurs en tal van deskundige ambtenaren in ‘mijn’ gemeenten, samen met de wethouders en de waterambtenaren van die gemeenten, tal van mooie projecten mogen helpen realiseren. Mijn inzet was steeds het waterbeheer en hittestress tussen de oren van iedereen te krijgen. Want in mijn visie zijn het op orde krijgen en houden van het waterbeheer en de aanpak van hittestress de beleidsopgaven van waterschappen en gemeenten voor de komende tientallen jaren. We kunnen het alleen samen! De klimaatverandering dwingt ons daar toe. Menigmaal schreef ik over hittestress en het feit dat gemeenten daar nog lang niet altijd aandenken bij de aanpak van bijvoorbeeld een weg en de keuze van verhardingen.  

Bij mijn afscheid als dagelijks bestuurder heb ik mij afgevraagd waar heb ik echt het verschil gemaakt? Dat is een vraag die moeilijk objectief is te beantwoorden. Voor mijn gevoel zijn er echter drie projecten die er dan uitspringen. Dat zijn de aanpak van de archieven, de Overdiepse Polder en het dijkversterkingsproject Geertruidenberg/Amertak.

Toen ik aantrad waren onze archieven verspreid over een fors aantal locaties en was er een forse achterstand bij de archieven. In een tijdperk dat opschaling van de archieven de mantra van de dag was, was mijn stelling: onze archieven zijn onze geschiedenis en die van onze meer dan 200 rechtsvoorgangers, die horen thuis in ons gebied, in ons huis en in ons hart. Het eindresultaat was dat de achterstand vrijwel is ingelopen en dat al onze archieven nu ook in ons gebouw zijn opgeslagen in een opslag die voldoet aan alle eisen en beschikbaar zijn voor het publiek. Tevens werd  een besparing in de exploitatie op jaarbasis gerealiseerd van enkele tonnen.

Het ruimte voor de rivierproject Overdiepse Polder was een project naar mijn hart. Dit project was één van de twee projecten in het kader van ruimte voor de rivier (RVR). Een ander project in ons gebied en onder mijn verantwoordelijkheid was de dijkverbetering Amer/Donge te Raamsdonksveer. De Overdiepse Polder was een project waarin ik de eerste jaren meer dan 40 % van mijn tijd stak. Een groot project waar ik als bestuurder te maken had met 15 gezinnen wiens leven en werken door dit project op zijn kop werd gezet. Ik voelde mij betrokken met ieder van hen en ik heb alle jaren, dat het project liep, getracht met hen contact te maken en te houden en voor hen altijd bereikbaar en beschikbaar te zijn. Inclusief het brengen en planten van een fruitboom als ze elders in Nederland een nieuwe plek hadden gevonden. Vertrekkers en blijvers waren mij even lief. Bij de voorbereiding van het project heb ik een aantal stevige discussies met de programmadirectie van RvR gevoerd over de risico’s van het project. Kern daarvan was: dit is een project in een gebied waar zwaar en langdurig gevochten is. De slag om Kapelscheveer. De werkers zouden bommen, granaten maar ook stoffelijke resten tegen kunnen komen en de omgang daarmee, was mijn uitgangspunt, moet veilig, zorgvuldig en met respect.
Nergens anders bij de RvR projecten was de kans op oorlogsrelicten zo groot als in het gebied van de Overdiepse Polder. Bij de besprekingen over de vraag of het waterschap dit project in opdracht van Rijkswaterstaat wel uit zou gaan voeren en de daarbij beschikbare budgetten en verantwoordelijkheidsverdeling, was mijn inbreng dat er een stevig budget moest komen voor ‘bommen en granaten’ en voor de juiste berging en identificatie van eventueel te vinden stoffelijke resten. Ik wist dat er in dit gebied nog veel vermisten waren als gevolg van de slag om Kapelsche Veer. Uiteindelijk kreeg ik van de programmadirectie mijn zin en werden er budgetten gereserveerd voor deze mogelijk oorlogsrelicten. Geld en/of vertragingen mochten geen rol spelen als er bijvoorbeeld stoffelijke resten gevonden zouden worden.
Er werden stoffelijke resten gevonden, waaronder een Canadees soldaat. Toen dan ook op 29 september 2015 soldaat Albert Laubenstein, na meer dan 70 jaar op het Canadese militaire ereveld bij Bergen op Zoom ten ruste werd gedragen, door militairen van nu van zijn regiment, en met alle militaire eer in aanwezigheid van zijn familieleden begraven bij zijn regimentswapenbroeders, had ik een goed gevoel dat de werkzaamheden in de Overdiepse Polder en mijn bescheiden bijdrage daarbij er toe hadden geleid dat Albert Laubenstein van een anoniem veldgraf zijn herkenbare plek kreeg bij zijn kameraden. Ik heb in de Overdiepse Polder veel bezoekers uit binnen- en buitenland mogen ontvangen en rond mogen leiden en ik kon met deze bezoekers altijd terecht bij één van de boeren, Nol Hooijmaijers. Een fijn mens waarmee het geweldig was om samen te werken en het project, waar hij één van de vormgevers van was, tot stand te brengen.

Tot slot het dijkverbeteringsproject Geertruidenberg/Amertak. Een project waarbij een intensief participatie traject werd gevolgd met de gemeente, omwonenden, belangroepen zoals milieuorganisaties, de provincie enzovoort. Een dergelijk participatie traject lijkt het karakter te hebben van een synchrone besluitvorming in een netwerk. Althans zo werd het ervaren door de participanten. Dat gevoel werd in het proces versterkt, omdat gedurende dit proces keer op keer het waterschap tegemoet kwam aan de wensen van veel van de participanten. Des te groter was de schok bij die participanten toen er dan door het DB, voor hun gevoel ineens een, voor hen, onwelgevallig besluit werd genomen. In maart/april 2017 toen er steeds meer rapporten ter voorbereiding van de trajecten gereed kwamen ontstond er in mijn geest een dilemma.

Slikpolder

Het dilemma, was enerzijds een keuze te maken die recht doet aan ieders inbreng en anderzijds de taak van het waterschap om binnen de mogelijkheden de beste route te kiezen naar de hoogst haalbare veiligheid van alle inwoners van dijkkring 34A Geertruidenberg. Ik schreef uitgebreid over mijn dilemma in Over Water 86. In de BSD nieuwsbrief van 16 april 2017 schreef ik mijn frustratie weg in het stukje “pasen”. Ter voorbereiding van de DB vergadering heb ik mijn motivatie op papier gezet om niet akkoord te gaan met het voorstel aan het DB inzake het voorkeursalternatief Slikpolder. Uiteindelijk volgde het DB op basis hiervan mijn redenering en besloot, bij de keuze van het voorkeursalternatief, Slikpolder te kiezen voor een dijkverlegging.

Ondertussen heb ik mij verdiept in het proces van participatieve besluitvorming door onder andere het lezen van het boek “Synchrone besluitvorming” (2017) een boek van onderzoeker Jitske van Popering-Verkerk. Naar aanleiding van dit boek heb ik ook gelezen “Management in netwerken” (2007) geschreven door Max Herold. Het onderstaande citaat van Max Herold laat de andere kant zien van de netwerkbenadering.

“Daarbij sluiten ook twee bezwaren tegen een netwerkbenadering aan: Bij besluitvorming in netwerken is het proces en het spel belangrijker dan de inhoud: feiten en causaliteiten zijn immers ‘slechts’  sociale constructies en onderhandelbaar. Wanneer inhoud sterk wordt gebagatelliseerd, lijkt het spel van de besluitvorming alleen nog maar door macht te worden bepaald. Het laatste argument kan men natuurlijk ook omdraaien: een netwerkbenadering gaat uit van de gedachte dat iedere partij in een netwerk een eigen perspectief op de werkelijkheid heeft en dus ook gerechtvaardigde belangen heeft.” Voor mij als waterschapbestuurder een schrikbeeld!

Door het lezen van beide boeken is mijn inzicht in dit soort processen wel gegroeid. Maar of ik en/of mijn opvolgers als bestuurders, met als opdracht dijken te versterken en die dijken ook voor te bereiden op een duurzame veilige toekomst, er echt iets aan hebben waag ik te betwijfelen. Voor waterschapbestuurders die net als ik gevormd zijn in niet politieke waterschappen rest straks alleen de herinnering aan een tijd dat het nog ging om de inhoud en de toekomst van de generaties na ons. Politiek blijkt een systeem dat gericht is op de korte termijn, terwijl waterbeheersing en waterveiligheid, naar mijn gevoel, gericht dienen te zijn op de lange termijn, tot honderden jaren toe. Maar ik blijk niet alleen. In het “projectenboek 2018” van Rijkswaterstaat blijkt dat er meer mensen zijn die vraagtekens zetten bij vergaande (burger)participatie bij dijkversterkingsprojecten. Eén van de stellingen uit het dijkwerkerspanel luidde: “In 2050 worden alle dijken door de omgeving ontworpen.”. Slechts 14 % onderschreef deze stelling! ‘Dijkwerkers’, zoals ik, hopen of denken dat in het jaar 2050 de rede, de wijsheid, het vakmanschap, de (toekomstige) veiligheid nog steeds de belangrijkste elementen zijn die de besluitvorming rond dijkversterkingsprojecten zullen bepalen. Ik help het ze hopen.

Ik heb in het DB een geweldige tijd gehad met fijne collega’s (ook op Unie niveau) en met ondersteuning van vele deskundige ambtenaren, die zelfs met die eigenwijze bestuurder om konden gaan en uiteindelijk loyaal omgingen met de besluiten. Bij mijn afscheid heb ik vele mooie woorden mogen ontvangen van collega bestuurders en van veel ambtenaren. Voor mij het mooist was het lied  wat gezongen werd door de het team dat betrokken is bij het dijkverbeteringsproject Geertruidenberg/Amertak. De tranen prikten in mijn ogen. Juist degenen die ik het werken met het DB besluit rond de Slikpolder zo moeilijk had gemaakt, gaven mij een goed en dankbaar gevoel.

In het AB blijf ik betrokken bij het ‘werken aan water’ in het mooie werkgebied van het waterschap Brabantse Delta. Ze zijn nog niet van mij af!   

Louis van der Kallen

 


OVER WATER – 84

 

| 25-03-2017 | 10.30 uur |


 

OVER WATER – 84

 

18 maart
Naar de start geweest van de opruimactie ‘schone Maas’. Dit keer was de Maasoever rond Overdiepse Polder aan de beurt. Tientallen opruimers gingen, ondanks het regenachtige weer en de windvlagen, aan de slag om de Maasoevers te ontdoen van veel (plastic)afval. Dit soort acties maken deel uit van een wereldwijde actie om aandacht te vragen voor de plastic soep die de zeeën van de wereld vervuilt.   

20 maart
Vandaag de waterschapsdag 2017 in Theater Diligentia in Den Haag. Wat mij dan altijd opvalt is het gebruik van geluid bij dit soort bijeenkomsten. Het aftellen van de start van het programma, zelfs in aanwezigheid van de minister van Infrastructuur en Milieu, gebeurt op een geluidsniveau dat snel 10 tot 15 decibel boven het niveau ligt dat schadelijk is voor de oren. Ik zou moeten waarderen dat het hele programma was opgebouwd rondt het thema: ‘klimaatverandering centraal’, waarbij zo nu en dan een stelling werd gedeponeerd waarover gestemd werd (eens of oneens). Dat geeft mij soms reden tot een glimlach. “Af en toe een nat pak op de fiets hoort erbij in Nederland”. 82 % was het eens met deze stelling. Kijkend naar het electoraat in de zaal was mijn gedachte dat zeker 80 % van de zaal niet hun eigen pak (kostuum of mantelpakje) bedoelde, omdat de kans groot is dat fietsen voor hen hooguit een bezigheid voor in het weekeinde was en niet zozeer voor woon-werkverkeer.

Gerrit Hiemstra van Weather Impact B.V. hield een inspirerend verhaal met als titel: “het klimaat wacht niet op ons”. Ik vond het jammer dat zijn verhaal vrijwel uitsluitend over water(overlast) ging en nauwelijks over hittestress. Hij vermeldde als klimaatverandering wel een keer extreme hitte. Maar in een betoog van 15 minuten hooguit 15 seconden over extreme hitte is wat mij betreft een gemiste kans, terwijl hittestress met regelmaat tot ‘oversterfte’ lijdt en de aanpak van hittestress bijna één op één ook een positief effect heeft op het voorkomen van wateroverlast. 

Gezien de actualiteit van de verkiezingen en de kabinetsformatie liet hij ook zien wat de verschillende partijen, volgens de doorrekening van hun programma’s door het CBS, over hebben om jaarlijks uit te geven om de klimaatdoelen van Parijs te halen. Dat liep van ruim 16 miljard euro door GroenLinks tot 0 euro door het CDA (u kent ze wel de partij van het “rentmeesterschap”). In zijn betoog verwees hij naar de klimaatscenario’s van het KNMI. Ik vond in zijn betoog vooral leuk dat hij de waterschappen a-politiek noemde. Ik ben het daar van harte mee eens. Waterbeleid kent geen politieke kleur! Ik vond het buitengewoon jammer dat in het ruime uur discussie op het podium tussen de minister van I & M (mevr. Schultz van Haegen-Maas), de voorzitter van de Unie van waterschappen (de heer Oosters) en de voorzitter van de commissie water van de VNG (mevr. Adema) uit hun mond niet één keer het woord hittestress viel op te tekenen. Zelfs niet toen aan het slot van de discussie een filmpje werd getoond over een prachtig project om hittestress op een schoolplein in Meppel aan te pakken. Toen richtte de discussie zich op bewustwording van het publiek ten aanzien van klimaatadaptatie.

Soms denk je dit kan beter. Zo vertelde een beleidsambtenaar van de gemeente Zwolle, met als achtergrond een plein waar iedere meter versteend was en het enige water bestond uit een betonnen bak met stenenranden, over de gemeentelijke inzet om burgers te bewegen hun tuinen te ontstenen en te vergroenen. Een beetje een lachertje. Gemeenten/ambtenaren geef liever het goede voorbeeld. De enige die van mij een complimentje krijgt is watergraaf Stefan Kuks van waterschap Vechtstromen. In een kort filmpje noemde hij de gewenste aanpak van hittestress. Nu nog de inhoudelijke discussie over dit onderwerp op een volgende waterschapsdag! Ik hoop dat de aanwezige waterschapsbestuurders de woorden van de Unie voorzitter, de heer Oosters “Leiderschap is bewustzijn van wat er in je omgeving gebeurt”, nu ook qua hittestress gaan oppakken.

21 maart
Gisteren kregen de bezoekers van de waterschapsdag 2017 een krant uitgereikt (uitgaven van Nederland MVO) over klimaatadaptatie. Van de 20 pagina’s gingen er 19,6 over water en slechts een klein stukje ging over hittestress. Jammer en een gemiste kans. Door hittestress is er iedere zomer vermijdbare oversterfte, terwijl veel maatregelen tegen hittestress ook goed uitpakken voor de aanpak van wateroverlast. Hittestress en de mogelijkheden om dit door vergroenen aan te pakken, krijgt nog steeds van de beleidsmakers niet die aandacht die zou moeten.

In de morgen de DB vergadering met als agendapunten onder andere: de managementletter 2017-1, extra budget voor blauwe diensten, aanpak waterplantenoverlast voor hengelsportverenigingen en de kadernota.

In de middag een overleg met de dijkgraaf en in de avond het bestuurlijk overleg over de Roode Vaart met onder andere de wethouders van de gemeente Moerdijk en vertegenwoordigers van de provincies Noord-Brabant en Zeeland, waarbij de stand van zaken en de aanbesteding centraal stond. 

22 maart
In de morgen een bijeenkomst over crisisbeheersing met de collega’s van waterschap de Dommel en waterschap Aa en Maas.

In de middag het ‘Energie- en Ruimte Atelier in Terheijden over de windopgave na 2020. Voor het eerst hoorde ik de term ‘geluidsabsorberend landschap’. De suggestie was het landschap geluidsabsorberend te maken om zo de acceptatie van windmolens van de bevolking te vergroten. Op de website van de Atlas Natuurlijk Kapitaal vond ik wat informatie over dit onderwerp. Dit is een nadere studie waard!

23 maart
Ik ben aanwezig geweest bij de talkshow ‘het klimaat draait door’ in het Van der Valk hotel te Tiel. Het was een mooie ervaring deels omdat ik veel (oud) collega’s ontmoette van waterschappen waar ik ooit in het algemeen bestuur zat, zoals de waterschappen Rivierenland en Rijn en IJssel, alsmede het voormalige waterschap Alm en Biesbosch. Het was voor mij bijzonder dat ik de kans kreeg om het probleem van hittestress door ‘het doordraaien van het klimaat’ onder de aandacht kon brengen. In de gesprekstafelrondes kwam hittestress niet aan de orde. Tussen de tafelgespreksrondes was er steeds een optreden van “Beperkt Houdbaar” (improvisatiecomedy). Hun formule is deels gebaseerd op suggesties vanuit het publiek. Daar maakte ik dankbaar, met een paar zinnen toelichting, gebruik van. Hun vormgeving op dit onderwerp was prachtig en prompt kwam hittestress daarna aan de gesprekstafel wel aan de orde. Gespreksdeelnemer John Jacobs (strategisch adviseur Rotterdam Resilient City) verwees zelfs naar mijn opmerkingen. Voor mij was de dag helemaal geslaagd toen een paar collega’s onder verwijzing aan mijn Rioneddag 2017 optreden mij Mister Hittestress noemden. Dat is nu precies de bedoeling hittestress moet tussen de oren komen en dat ze mij daaraan koppelen vind ik prima.

24 maart
Ik ben naar de PAL lezing geweest in het provinciehuis van Zuid-Holland met als titel: “Kwaliteit is geen toeval, een pleidooi voor een visie op komende transities”, gegeven door Harm Veenenbos (provinciaal adviseur ruimtelijke kwaliteit). De lezing was een uitleg over zijn werkprogramma 2017-2019, aangevuld met te bespreken stellingen. Mijn benadering was dat bij grote infrastructurele werken, zoals de aanleg en verbreding van snelwegen en dijkverbeteringen (onder andere verwoord in het hoogwaterbeschermingsprogramma), het adagium van RWS ‘sober en doelmatig’ is. De praktijk is dan soms, qua ruimtelijke kwaliteit, ‘somber en matig’. Het nieuwe politieke geroep van participatie/gebiedsontwikkeling levert veel ‘ideeën’ op maar ook geen of weinig geld voor die vaak mooie ideeën. Men kijkt dan vaak verwachtingsvol naar het waterschap als ideeënophaler en dus mogelijke suikeroom. Maar die suikeroom heeft bijna altijd slechts lege zakken!

 

Louis van der Kallen



OVER WATER – 20: DE WATERINNOVATIEPRIJZEN 2015

 

| 04-12-2015 | 18:15 uur |


 

30 november
Mijn eerste stop, als bestuurder, was bij het waterschap Aa en Maas te Den Bosch om vragen te beantwoorden van ambtenaren die de cursus ‘bestuurlijke sensibiliteit’ volgden. Doel van een dergelijke cursus is ambtenaren gevoel bij te brengen wat voor (hun) bestuurders van belang is bij de opstelling van beleidsstukken en de beantwoording van vragen.

In de middag had ik een afspraak in Apeldoorn met een mogelijke toekomstige kandidaat/lijsttrekker voor Ons Water in het gebied van het waterschap Vallei en Veluwe. Ik probeer kandidaten te werven om in 2019 ook buiten het gebied van mijn eigen waterschap (Brabantse Delta) met Ons Water mee te doen aan waterschapsverkiezingen. Het was een goed gesprek. Ik hoop dat het resultaat zal zijn dat de vrouw, waarmee ik sprak, de stap wil wagen naar het waterschapsbestuur om haar warme belangstelling voor onder andere de natuur ook daar tot uiting te brengen.

In de avond woonde ik de uitreiking bij van de ‘water innovatieprijzen’ te Amersfoort. Nu gun ik iedereen een feestje en een prijs. Maar dan wil ik wel het gevoel hebben dat er werkelijk iets bijzonders is gebeurd wat een feestje en een prijs rechtvaardigt. Ik benader al jaren het zogenaamde innovatieve imago van de waterschappen met de nodige argwaan. Want bij overheden kom ik zelden iets innovatiefs tegen. Naar mijn opvatting komt dat omdat bij ambtenaren, bestuurders en politici er een overmaat aan risico aversie aanwezig is. Er zal maar iets fout gaan of niet het gewenste resultaat geven dan zijn de mogelijk commentaren van de oppositie dodelijk en dat moet immers voorkomen worden! Ik heb mijn beroepsmatige leven (40 jaar) doorgebracht op research en ontwikkeling afdelingen van een zaadkwekerij en een kunstharsfabriek. Daar leerde ik dat zonder het betreden van onbetreden paden er geen echte vernieuwing aan de orde zal zijn. In de praktijk van mijn beroepsmatige leven was het vooral de vrije research die gewenste patenten en innovaties bracht. De doelresearch bracht wel vernieuwingen in de zin van doorontwikkelingen van bestaande producten of de introductie van technieken van anderen brachten wel efficiëntie verbeteringen, maar dat werden geen innovaties genoemd. En deze waren ook nooit patenteerbaar. Als uitvinder van een bepaald gepatenteerde product/productiemethode (United States Patent nr. 4255464) matig ik mij aan enige kennis te bezitten van het herkennen van innovaties en innovatieve werkwijzen.

innovatie 04Ik vond de prijswinnende ‘innovaties’ bijna categorie lachertjes. Ik gun de prijswinnaars de complimenten, maar het innovaties noemen is jezelf en je weinig innovatieve kracht als waterschappen in slaap wiegen. Ik leerde op de analistencursus circa vijftig jaar geleden al: ‘meten is weten’. Als ik begin jaren zeventig bij de ontwikkeling/ontwerp van bijvoorbeeld een gelamineerde scheepshuid dit ontwerp modelmatig zou berekenen zonder de kennis van de fysische en mechanische sterkten te kennen van de samenstellende delen zou ik op staande voet ontslagen zijn. Om dan een innovatieprijs toe te kennen aan een dijkverbeteringproject (categorie waterveiligheid: ‘dijken op veen’), waarbij de sterkte van veenlagen in de ondergrond is gemeten, is voor mij wezensvreemd. Zouden voorheen dijken verbeterd/verzwaard zijn zonder meten? Het is zo logisch wel te meten dat dit gewoon je werk goed doen is. Niet meer, niet minder. Natuurlijk besef ik dat kennis van dijkenbouw in het verleden met vooral proberen en mislukken is opgebouwd. Maar anno 2015 kunnen we meer. Dat heeft niets met innovaties te maken. Een gotspe vond ik de prijs voor het project de ‘inlaat op maat’. Dat je meet hoeveel water nodig is om het zoutgehalte omlaag te brengen is zo logisch, dat het bijna misdadig is dat, in een samenleving die gericht zou moeten zijn op water doelmatig gebruiken, dit nog niet gebeurde. Wat is logischer dan niet meer te gebruiken dan nodig is? Dit is geen innovatie dat is gewoon je werk goed doen! Het toepassen van een modern middel als een ipad of een app is net zomin een innovatie!

Als voorbeeld: toen ik als 17-jarige de variaties in proefvelden moest corrigeren, gebruikte ik daarvoor een rekenlineaal, een logaritmetafel en een telmachine. Voor een proefveld van 20 eenheden was ik daar een volle weekdag mee bezig. Nu zou ik circa 2 minuten nodig hebben voor het handmatig inbrengen van de data, waarna de computer direct de gewenste correcties zou geven. Van 8 uur naar 2 minuten door jaar na jaar te kijken hoe kunnen zaken met de ontwikkeling van kennis en nieuwe door andere ontwikkelde technieken beter. Dat is niet innoveren maar je verstand gebruiken. Het alsmaar roepen dat je innovatief bent, maak je niet innovatief. Het lijkt framing. Wat ik zelf erg vind is dat bestuurders er in gaan geloven en er niet van overtuigd worden dat voor werkelijke innovaties er meer geld naar onderzoek moet en er onder ambtenaren een sfeer moet komen dat, buiten reeds lang begane paden treden moet om te kunnen innoveren en dat dit kan betekenen dat het geld zal kosten en dat dit geld niet altijd zal opleveren wat men wenst.
Heb Lef! is de titel van een boekje van de Unie van Waterschappen met een visie op vernieuwing en verbinding in het sturen van water. Nu nog de uitvoering!

Er was ook een prijs in het kader van het ‘jaar van de ruimte’ De winnaar daar was het HoWaBo project van waterschap Aa en Maas. Een prachtig project naar mijn mening en die van de jury. Maar smaken verschillen. Op 13 november werden dezelfde ingediende projecten beoordeeld door een ‘publieksjury’ bestaande uit waterschapsbestuurders. De uitslag was geheel anders. De winnaar van toen, de waterberging Zundert, behoorde nu niet eens tot de genomineerden. Voor mij leidt dit tot de conclusie dat, als we werkelijk een ruimtelijke kwaliteitsslag willen maken, we de bestuurders op cursus moeten sturen, want die schijnen er dus niets van te snappen terwijl ze wel de beslissingen nemen. Of zijn de geleerde dames en heren van de jury op een eiland terecht gekomen en leven ze in een andere wereld? Zowel de winnaar van toen (mijn eigen waterschap) als de echte winnaar het HoWaBo project verdienen wat mij betreft de hoofdprijs. 

1 december
In de morgen een interview met Sjoerd Marcelissen van BNde Stem over het dijkverbeteringproject Geertruidenberg/Amertak.

In de avond een door meer dan 100 belangstellenden bezochte informatieavond over dit dijkverbeteringproject. Doel is vooral het betrekken van belanghebbenden bij dit project. Meedenken en ideeën hoe te combineren met andere plannen en initiatieven zijn meer dan welkom. 

2 december
Eerst een Bestuurlijk overleg met wethouders Bea van Beers en  Ad van Beek van de gemeente Dongen met als hoofdschotel de ondertekening van afvalwaterakkoorden met zowel de gemeente Dongen, als de gemeente Gilze en Rijen waarvoor wethouder Willem Starreveld bij de vergadering te gast was.  

Daarna door naar Boxtel naar het kantoor van het waterschap de Dommel voor een overleg van het bestuurlijk kwartet doelmatig afvalwaterbeheer Hart van Brabant. Het voornaamste agendapunt was het jaarplan voor 2016 met als elementen: klimaatadaptatie, grondwaterbeheer en meten/monitoren.

Vervolgens een soort van afscheidsbijeenkomst over waterveiligheid van een beleidsambtenaar, die mij ondersteunde bij de commissie waterkeringen van de Unie. Ik zal hem missen. 

3 december 
Eerst een bijeenkomst van de vier Dagelijkse Besturen van de Brabantse waterschappen. In het Provinciehuis te Den Bosch, met een meer dan interessante presentatie over Mozaïek Brabant

Daarna in het gemeentehuis van Geertruidenberg een bijeenkomst met de vertegenwoordigers van RWS, de provincie, de gemeenten Geertruidenberg en Waalwijk en het waterschap ter tekening van de overdrachtscontracten van de Overdiepse Polder.

Vervolgens een bestuurlijk overleg met wethouder Jan van Groos over het waterschapsproject ‘inhaalslag Keur en oneigenlijk grondgebruik’.

Daarna terug naar het waterschap voor een bijeenkomst van de werkgroep cultuur van het Algemeen Bestuur van het waterschap ter voorbereiding van de presentatie van onze ideeën over de wijze van vergaderen.

En tenslotte nog de vergadering van de fractie Ons Water/Waterbreed over de Algemeen Bestuursagenda van komende woensdag.  

Een mooie, maar heel erg drukke week met lange dagen.

Louis van der Kallen

 


DROMEN

 

| 18-02-2015 | 12:15 uur |


 

DROMEN

 

dreamsRecent is verschenen de “Natuurambitie Grote Wateren 2050 en verder” opgesteld door het ministerie van Economische Zaken. In betere tijden werden dit soort stukken opgesteld door Rijkswaterstaat onder auspiciën van het ministerie van Verkeer en Waterstaat. Dat waren doorwrochte stukken, onderbouwd met de vereiste technieken en financiën.

Als je de “Natuurambitie Grote Wateren 2050 en verder” doorleest, is het net een wandeling door de Efteling. Een ware droomwereld. Alsof Nederland een leeg land is waar geen 17 miljoen mensen wonen, werken en recreëren. De geschetste ambities gaan volstrekt voorbij aan de realiteit van alledag en de beperkte beschikbaarheid van geld en ruimte. Laat staan dat er ingegaan wordt op de gevolgen voor de werkelijke economie. Van een ministerie van Economische Zaken verwacht ik enige realiteitswaarde in de gepresenteerde ambities. Natuurlijk dromen mag. Maar niet in de tijd die betaald wordt door de Nederlandse belastingbetaler. Ik heb eerder geschreven over liegende/dromende politici, maar bleef hopen dat ministers en staatsecretarissen op zijn minst in beleidstukken de schijn van geloofwaardigheid op zouden proberen te houden. De vraag is: slikt de Nederlandse burger (op 18 maart kiezer van de provinciale staten en waterschapsbesturen) dit voor zoete koek? Voor al diegenen die houden van sprookjes en prachtige natuurdromen beveel ik lezing van harte aan. Zelf ben ik meer voor: wat is haalbaar? Wat kunnen we ons permitteren? Wat is werkelijk mogelijk? Wat is economisch wenselijk? Wat is reëel?

In deze “Natuurambitie Grote Wateren 2050 en verder” is op pagina 29 te lezen “In zout water zijn er geen blauwalgplagen.”. Voor de werkelijkheid lees eens artikel 2 in de reeks natte/zoute droom of nachtmerrie.

Wel veel opmerkingen over de mogelijke voordelen voor de schelpdiervisserij (het woord schelpdierkwekerij is zoveel mogelijk vermeden) en nauwelijks woorden over de effecten voor de scheepvaart of landbouw. Alsof de landbouwsector geen exporteur is van importantie en watertransport niet één van de kurken is waarop onze economie drijft.

In deze “Natuurambitie Grote Wateren 2050 en verder” wordt door de omschreven ambities de verziltingsdeur wagenwijd opengezet. Terwijl alleen voor het Groene Hart (de Randstad) een mogelijke oplossing wordt aangetipt (pagina 28). Wat in dit kader echt gemist wordt is aandacht voor de effecten op termijn voor de landbouw en de scheepvaart. In bijlage 6 met de mooie titel “Kennisagenda” worden tal van toekomstige onderzoeksvelden aangestipt, maar geen woord over hoe de zoetwatervoorziening buiten het Groene Hart zeker te stellen en ook geen woorden over de levenslijn van onze economie de binnenvaart.

Het wordt tijd dat de VVD minister Kamp en zijn PvdA staatsecretaris Dijksma eens gaan beseffen dat dromen nog geen deuk in een pakje boter slaan. Nederland en ons gebied West-Brabant hebben recht op een realistisch beleid dat haalbaar en betaalbaar is en dat recht doet aan de belangen van de Nederlandse natuur en van de economie en niet alleen aan die van de Randstad.  

Het wordt tijd dat er een ander Brabants geluid gaat klinken in de discussies met het Rijk en de Randstad. ONS WATER, LIJST 3 kan dat leveren.

Louis van der Kallen