OVER WATER 166: WATERPROBLEMEN UIT DE ‘OUDE DOOS’

 

| 08-12-2018 | 11.30 uur |


 

OVER WATER 166: WATERPROBLEMEN UIT DE ‘OUDE DOOS’

 

Recent heb ik de hand kunnen leggen op een drietal RIZA boeken, waarvan twee alle onderzoeken bevatten “naar den toestand van openbare wateren” in Nederland in de jaren 1931 tot en met 1937. Ze bevatten een schat van informatie, ook over het werkgebied waarvoor ik een bijzondere aandacht heb: het huidige waterschap Brabantse Delta.

Enkele voorbeelden uit het werkgebied van het waterschap Brabantse Delta:

In 1934 kwamen er klachten binnen van den Boerenbond te Goirle en van de hengelaarsvereniging De Ruischvoorn te Tilburg over de vervuiling van de Groote Ley (of Voorste stroom) aldaar. Bij onderzoek ter plaatse werd vastgesteld dat ook de Blauwe Ley ernstig vervuild werd door te Goirle gevestigde industrieën en door gemeentelijk rioolwater. De gemeente Goirle stelde dat de “loozing van het gemeentelijk rioolwater geen bezwaren mede zou brengen.” De Commissie stelde in haar advies dat “de loozing van het vloeibare vuil van de Gemeente wel degelijk bijdraagt tot de vervuiling en dat de aangegeven maatregelen niet tot een bevredigend resultaat zullen leiden.” De Commissie inzake Waterverontreiniging kwam tot een aantal aanbevelingen richting de gemeenten Goirle en Tilburg over te nemen maatregelen, waarbij voorlopig het vloeibare vuil via de Blauwe Ley afgevoerd mocht worden. Hierna trok de Boerenbond haar klacht in. De klacht van de hengelaars werd ongegrond geacht. Gelukkig zijn de zaken aangepakt en wordt er nu hard gewerkt om het stroomgebied van de Ley ecologisch op te waarderen.

In Over Water 164 schreef ik over de mogelijke aanleg van een riolering door de gemeente Teteringen die via het Gallooische Gat zou kunnen gaan lozen op de Mark, waartegen de Mark-Commissie bezwaren had. Het gemeente bestuur heeft na advies de plannen aangepast. De lozing werd omgeleid naar de tochtsloot van het Waterschap de Hooge en Lage Vught waarbij middels een beweegbare schuif bij de Hooge Brug verontreiniging van het polderwater wordt voorkomen. De uitvoering van de werkzaamheden zouden in de loop van 1935 uitgevoerd worden in het kader van de werkverschaffing. 

Ook in het verslagjaar 1935 komt de problematiek van de Groote en Blauwe Ley voorbij. De gemeente Goirle schreef een “Fraterschool” een septic-tank voor. Het Instituut schreef de gemeente Goirle: “dat de oplossing van dergelijke gevallen niet gezocht moet worden in het voorschrijven van septic-tanks of beerputten, doch dat de destijds aangegeven richtlijnen den eenig practisch begaanbaren weg aanwijzen om deze moeilijkheden te boven te komen.” Maar echte oplossingen kosten geld en de gemeente Goirle was toen nog niet echt bereid de portemonnee te trekken.

In 1935 werd er ook veel onderzoek gedaan naar de vervuiling van de Donge. Stroomopwaarts van Riel was de Donge schoon. De aanvoer vanuit Gilzensche Ley bleek ook redelijk schoon. De afvoeren vanuit Rijen en Dongen waren de oorzaak dat de Donge als een echte “vuilwaterloop” ’s-Gravenmoer binnen komt. De eindconclusie in 1935 was dat “de klachten der stroomafwaarts liggenden zijn dus heden nog even gerechtvaardigd als vijftien jaren en langer geleden.” Het RIZA advies: er moet een gemeentelijke rioolwaterzuiveringsinstallatie te Dongen komen en een uitbreiding van de bezinkinrichting (uit 1925) in de gemeente Gilze en Rijen. De Commissie inzake Waterverontreiniging sprong met dit advies nadrukkelijk in de belangen van het Waterschap de Donge en in die van het Waterschap de Beneden Donge. Na overleg met de gemeentebesturen en de voorzitter van het waterschap De Donge werd een principiële overeenstemming bereikt en werd het Rijksinstituut om een technisch advies gevraagd.

In 1935 richt ook het gemeentebestuur van Oosterhout zich voor advies tot het RIZA. Er waren veel klachten die veroorzaakt werden door het afvalwater van een zeemlederfabriek die konden gaan verergeren door een voorgenomen vestiging van een textielfabriek op het zelfde industrieterrein. Ten zuiden van de bebouwde kom klaagden veehouders wiens belangen werden geschaad. Terwijl aan de noordzijde er visserijbelangen werden geschaad omdat het afvalwater periodiek op het Wilhelminakanaal en het Gooikensgat werd “afgespuid”. “Daar het gemeentebestuur den tijd voor gemeentelijke centrale riolering en zuivering nog niet gekomen achtte, moest naar een verbetering door middel van afzonderlijke maatregelen worden gestreefd.” Er kwam op onderdelen een advies uit dat nu ondenkbaar zou zijn. Voor de textielfabriek kwam het advies het gekleurde verfwater via chemische klaring te ontkleuren. Maar een andere mogelijkheid werd ook geboden: “Nog meer aangewezen leek hier evenwel het laten wegzakken van het verfwater in den grond, waartoe de plaatselijke omstandigheden zich uitstekend leenden.”  “In de op verzoek van het gemeentebestuur opgemaakte ontwerp Hinderwetsvoorwaarden is aan de textielfabriek de keuze tusschen beide mogelijkheden gelaten.” Het water werd in 1935 al wel enigszins beschermd vanwege de stankoverlast en de aantasting van agrarische- en visserijbelangen. De bodem echter nog niet. Het RIZA was in 1935 echt alleen voor de aanpak van de waterverontreiniging.

De gemeente Loon op Zand komt ook voor in het jaarverslag van 1935. Hoe om te gaan met het zuiveringsproces in de drainagevelden van de Nederlandse Heide Maatschappij die dagelijks circa 200 m3 afvalwater van looierijen verwerkt tegen een kostprijs van 6,5 gulden cent per kubieke meter. De uitkomst was de voorwaarde voor lozing dat bij een test waarbij gezuiverd afvalwater “na 4 dagen bewaren in een geheel gevulde, gesloten flesch geen rottingsverschijnselen vertoont.”  Soms hoeven zaken niet ingewikkeld te zijn.

De gemeente Tilburg werd geadviseerd over de bouw van een zuiveringsinstallatie in het stroomgebied van de Ley (waterschap de Dommel). De zuivering zal plaats gaan vinden door middel van chemische klaring, volgens de patenten van Dr. Penschuck.

Louis van der Kallen