NATUUR VERTSTERKT KUST


| 12-02-2021 |

MOEDER NATUUR VERSTERKT DE KUST”, kopte Trouw op 25 januari 2021 over (tijdelijke) landinwaartse zeedijkverschuiving als klimaatbestendige, kustversterkende oplossing; dit was voorgesteld door Het Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ). Het artikel gaat evenwel helemaal niet over kustversterking, maar gaat om ophoging van polders langs de “kust”, met name langs de Westerschelde. De wijze waarop is verre van efficiënt en brengt grote schade toe aan de zeedijk, die later weer dienst moet doen en toch op hoogte moet worden gehouden om niet steeds vaker overstroomd te kunnen worden.

Wat erger is: het plan kent een dubbele moraal, overigens naast de vele onjuistheden in het artikel. Uitgangspunt blijkt te zijn om de noodzakelijke verkorting van de kustlijn te voorkomen om de ZOUTE milieus binnen ons land te handhaven, te versterken en uit te breiden. Mensen kunnen alleen maar leven in een zoet milieu. Men gaat van de veronderstelling uit dat we land te veel hebben en zout milieu te weinig. Maar wil men de “kust” langs de getijwateren binnen ons land echt versterken om de zeedijken minder snel te hoeven verhogen, dan moet men een lage dijk juist voor de zeedijk leggen. En inderdaad dan zandt en slibt het tussen die twee dijken op. Het voorland komt hoger te liggen en de golfoploop van de zeedijk wordt minder, zoals bij no.1 langs de Zeeuws-Vlaamse kust.

Het gaat ook niet om wisselpolders. Met wisselpolders wordt bedoeld, dat de landbouwer zijn land al dan niet tijdelijk inwisselt voor andere grond, “b.v. een stuk oude poldergrond in het Verdronken Land van Saeftinghe”. Als die polder dan op voldoende hoogte is gekomen, kan geruild ofwel gewisseld worden met een volgende polder enz. Men is dan erg lang bezig, als zo’n cyclus per polder 50 jaar zou duren. Het is ook van belang dat landbouwers gegarandeerde zekerheid over hun land krijgen. Gezien het artikel is dat niet de bedoeling.

Hoogst merkwaardig is, dat men veronderstelt dat het slib via de haven van Antwerpen vanuit België naar de Westerschelde komt. Dat is niet zo. Het slib komt van voor de Belgische kust via de Wielingen de Westerschelde op en bezinkt uiteindelijk in de Antwerpse haven. Dat komt omdat de bodem van de Westerschelde onnatuurlijk diep gebaggerd is.

Niet overal langs de zeedijken van de Westerschelde komt evenveel slib langs. Bovendien wil men liefst eerst de diepst liggende polders ophogen, maar wel zonder de zeedijk tijdelijk niet te laten functioneren. Die polders liggen aan de Zuid-Bevelandse zijde.

Het NIOZ was juist groot voorstander om niet alleen de hooggelegen polders, zoals de Hedwigepolder, Perkpolder en de Oud-Breskenspolder te ontpolderen, maar ook tegen de natuur in af te graven. Men is kennelijk bij het NIOZ bekeerd tot ophoging van de poldergronden. Dan kunnen we al beginnen met Waterdunen, waar schandalig veel is afgegraven en alvast de diepe drempel in de monding van de baai van Perkpolder op te hogen tot een lage dijk en stoppen met het inrichtingsplan Hedwigepolder. Ophogen van die aanliggende polders kan veel beter met behoud van de bestaande infrastructuur.

We moeten stoppen met de propaganda over zilte teelten op het land als oplossing. Men is al decennia lang bezig met proeven en het wil maar niet lukken om daar maar enige productie in te krijgen, omdat die planten heel veel aandacht behoeven en gevoelig zijn voor een bepaalde range van lichte zoutgehaltes. De oude culturen zijn er aan ten onder gegaan.

Kustverkorting blijft de beste oplossingsrichting in deze klimaatdiscussie!

Wil Lases


 

ZOET GREVELINGEN VOOR ZEELAND VAN LEVENSBELANG !

 


| 18-01-2021 |

 

Het zoutgehalte in de wateren van de Zeeuwse Delta en van het grondwater van de eilanden is hoger dan ooit. Het zijn in Zeeland niet de zee en niet de natuur die om zout water vragen, maar beleidsmensen en biologen die de provincie decennia lang op het verkeerde spoor zetten. Immers vanaf de late Middeleeuwen drong de zee steeds meer het afvoergebied van de grote rivieren binnen. De geulen schuurden uit tot zeearmen en de verzilting nam fors toe. Reden voor het ontwerpen en uitvoeren van het Deltaplan, maar door planwijziging wordt de aanvoer van zoet water naar de Zeeuwse Delta al zo’n halve eeuw geblokkeerd.

De natuur in het Grevelingenmeer ontwikkelt zich keer op keer niet zoals gewenst. Met een doorlaatmiddel in de Brouwersdam grijpt men opnieuw in om de natuur naar wens te dwingen, maar dit geeft niet de beoogde doormenging van het zoute Grevelingenmeer. De beheersing van de beperkt zuurstofloze bodem kan eenvoudig en goedkoop door terug te keren naar de winteropening of het plaatsen van enige pompinstallaties voor verticale circulatie. Inmiddels worden de zoetwatertekorten in Zeeland steeds nijpender. De verzoeting van het Grevelingenmeer is voor Zeeland van levensbelang geworden! Het zou dan ook beter zijn om niet verder te gaan met het project Getij Grevelingen.


Zout en zoet
Zoutwatermilieus bedekken grotendeels de aarde. Van alle water is 97% zout. Het smelten van de ijskappen en gletsjers doet het geringe percentage aan zoet water (nu nog 3 %) verder afnemen. Zoet oppervlaktewater maakt daar slechts 0,008% van uit en is dus minder dan een tienduizendste van al het water. Voor de natuur betekent elke toename van dit zoete water meer biodiversiteit. Ook zeewaartse verschuivingen van zoetzoutovergangen dragen daar aan bij. De mens leeft op land en is afhankelijk van zoet water. Dit uiterst schaarse en unieke water wordt intensief gebruikt en is vaak verontreinigd. Gebrek aan zoet oppervlaktewater van goede kwaliteit is de belangrijkste oorzaak van humanitaire conflicten en ecologische aantasting.

Noodzaak van meer gespreide buffering in Nederland
Door neerslag en rivieren bereikt een overvloed aan zoet water Nederland. Dat water wordt doorgaans versneld naar zee afgevoerd. Een groot deel wordt bij gebrek aan zeesluizen standaard gebruikt als verziltingbestrijding op de Rotterdamse Waterweg. Daarnaast wordt door uitputting van het grondwater steeds meer het tekort aan zoet water ervaren. In lange droogteperiodes slinkt onze beperkte watervoorraad van het ondiepe IJsselmeer door verbruik en verdamping en begint deze te verzilten. Landelijke spreiding van grootschalige wateropslag kan de kwetsbaarheid sterk verminderen. Zoet water dient te zijn waar het nodig is.

Volkerak-Zoommeer blijft zoet
Nu het gezond verstand in de Tweede Kamer heeft gesproken om het Volkerak-Zoommeer definitief zoet te houden, is dit meer een eerste smalle verdedigingslinie tegen verzilting van de Brabantse Delta. Helaas ondervindt het meer zelf verziltingsdruk vanuit de alsnog zout gehouden Grevelingen en Oosterschelde. Het meer kan maar beperkt voorzien in de zoetwatervoorziening, aangezien het verhogen van het peil wordt begrensd door de vaste bruggen waarbij de Rijndoorvaarthoogte moet worden gegarandeerd. Dit beperkt de mogelijkheden voor buffering van zoet water. Voor de Zeeuwse eilanden is de vraag naar nieuwe grootschalige zoetwatervoorraden van levensbelang. Een grillig Grevelingenbeheer Het Grevelingenmeer werd voltooid in 1971 om tot een zoet meer te komen. Het water dat op de Noordzee wordt geloosd via het Haringvliet is namelijk beschikbaar voor het Grevelingenmeer, zonder aanpassing van de afgesproken verdeelsleutel van zoet water. Water en land grijpen in Zeeland ineen en zijn wat betreft waterbeheer niet los te koppelen vanwege de gezamenlijke ondergrond met gedeelde waterhuishouding. Het Deltaplan ging dan ook in één adem over veiligheid en maximale buffering van zoet water. Het mocht echter niet zo zijn. Door verontreinigd Rijnwater werd de verzoeting indertijd uitgesteld en van uitstel kwam afstel. Bij het kunstmatige geconserveerde zoute Grevelingenmeer is inmiddels al twee keer (1978 en 2000) ingegrepen door natuurbeheerders. Het is volstrekt onduidelijk wat vervolgens de beweegredenen van de natuurambtenaren waren om een 13 jaar jong meer zonder ‘bewezen natuur’ aan te melden voor een bescherming van het hoogste niveau van Europees belang (Natura 2000-aanwijzing in 2013). En nu wordt er ondanks die Natura 2000-status voor de derde keer ingegrepen in het ‘beschermde’ ecosysteem om de natuur naar wens te dringen. Ditmaal door een geplande extra grote opening in de Brouwersdam. Als ook de Flakkeese spuisluis in bedrijf gaat is dat een extra ingreep, maar die kan door botsende getijgolven niet voor gewenste doorspoeling zorgen.Waar gaat het nu om?

Eenzijdig en niet zinvol
Door eenzijdige propaganda voor zoutwatermilieus gedurende bijna twee generaties, denken velen dat we de zee ruimte horen te bieden, al dwingt de zee zelf ons er niet toe. Men wil daarvoor zelfs kostbare infrastructurele werken uitvoeren. Waarom dit, om vervolgens in nood zoetwater op onnatuurlijke wijze met pijpleidingen aan te voeren? Het is allemaal weggegooid geld wanneer het eenmaal zover is om het meer alsnog te verzoeten. Er zal in de Delta hoe dan ook naar een gesloten kustlijn toegewerkt moeten worden. Over afzienbare termijn zal b.v. de Oosterscheldekering aan het einde van zijn levensduur komen. Wat dan? Almaar dijkverhogingen over een paar honderd kilometer langs de zeegaten en voortgaande verzilting heeft geen toekomst. Een gesloten kustlijn gaat gepaard met verzoeting van de wateren.

Maximale berging zoet water
De centrale opgave is maximale berging en benutting van het zoete water voordat het op de Noordzee komt. Een zoet Grevelingenmeer levert een grote bijdrage aan het zoetwaterbeheer van 3 de eilanden en zal de op gang zijnde verzilting van het grondwater tot staan brengen en dan langzaam ontzilten. Concreet betekent verzoeting van een afgedamd zeegat een zeer langdurige bescherming tegen verzilting. Dit is zo veel meer dan de ’gekunstelde’ maatregelen van het ‘Zeeuwse Deltaplan Zoet Water’. Een reservoir waaruit de omringende eilanden naar behoefte kunnen onttrekken biedt duurzaam perspectief.

Hoe verloopt het verzoeten?
Alleen al met de aanwezige Brouwerssluis, waarvan de bodem ligt op -11 m N.A.P., is een zoete bovenlaag van ca. 15 m diep te bereiken. De wind kan tot ongeveer die diepte voor menging zorgen. De effectiviteit van een zoet meer wordt maximaal vergroot door in het meer voor de Brouwerssluis een dichtheidsscherm te plaatsen om het diepste en zwaarste water naar zee af te voeren. De optimale bodemdiepte onder de doorstroomopening van het scherm kan bepaald worden. Naar de werking van het scherm is uitgebreid onderzoek gedaan.

Bij een bodemdiepte van N.A.P. –35m kan bijna alle volume aan zout water worden afgevoerd. Voor de buffering van zoet water is nog een inlaatsluis in het noordelijk deel van de Grevelingendam nodig. Men moet zich tenslotte afvragen waarom we de binnendringende zee nog langer een handje zouden helpen. Voor de mens in Zeeland is de zee immers de grote bedreiging voor zijn bestaan. Niet alleen qua veiligheid, maar ook vanwege de beschikbaarheid van zoet water blijft Zeeland alleen leefbaar bij een gesloten kust en zoete meren. We mogen Zeeland nu niet opgeven. Voorkom ingrepen, die niet passen in dit perspectief. Het zou goed zijn om nu een breed maatschappelijk debat over het grote belang van zoet water te houden, dat leidt tot beleidsaanpassing en een nieuwe toekomstvisie.

 

Wil Lases


 

RESISTENTE BACTERIËN

 


| 04-01-2021 |

 

De coronapandemie laat zien dat infectieziekten nog lang niet de wereld uit zijn. Ook de toenemende weerstand onder grote delen van de bevolking tegen vaccineren kan een oorzaak worden dat infectieziekten, waarvan we veronderstellen dat we ze onder de knie hebben in de toekomst toch weer de kop op steken.

De afgelopen jaren heb ik met regelmaat aandacht gevraagd voor de ontwikkeling van resistente bacteriën in en met onze zuiveringen waarbij het voorkomen van medicijnresten in het afvalwater een factor kan zijn. Recent is er een update ‘Medicijnresten en waterkwaliteit’ verschenen van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)

Ook laat een ander RIVM-onderzoek zien dat in mest en in afvalwater steeds meer bacteriën voorkomen die resistent zijn tegen antibiotica en daarmede een steeds groter probleem vormen voor de gezondheidszorg. De verspreiding vindt plaats via het uitrijden van mest en via de afvalwaterzuiveringsinstallaties waarbij de resistentie bacteriën uiteindelijk in ons oppervlaktewater terecht komen. Ook overstorten en verkeerde aansluitingen in geschieden rioolstelsels dragen hieraan bij. In gebieden met gescheiden rioolstelsels worden in het oppervlaktewater meer resistente bacteriën gevonden.

Naar resistente bacteriën wordt steeds meer onderzoek gedaan, maar tot een echte aanpak in onze rioolwaterzuiveringen komt het nog niet, terwijl in Duitsland en Zwitserland wel concrete stappen op dit gebied  worden gezet. Zoals gebruikelijk is de vraag: wie gaat dat betalen? Ik acht de groeiende gezondheidsrisico’s zodanig dat er nu echt aan de slag moet worden gegaan met de aanpak van bacteriën in onze zuiveringen en in de effluentlozingen. Nu komen er steeds meer resistente bacteriën in het oppervlaktewater terecht. Dus ook in oppervlaktewater dat gebruikt wordt om  drinkwater van te maken. De risico’s nemen toe en dat zou moeten betekenen dat met de aanpak haast moet worden gemaakt. Wie het gaat betalen, is dan een zaak waar de dames en heren politici desnoods later besluiten over moeten gaan nemen.

 

Louis van der Kallen


 

WAAROM IS EEN ZOET GREVELINGENMEER VAN GROTER BELANG?

 


| 31-12-2020 |

 

Het gaat bijvoorbeeld niet alleen om natuur. Maar ook om de visserijfuncties die nu op de Grevelingen zijn. En toch ook gewoon de eerste vraag: waarom zouden we het zoet willen hebben, wat is daar dan het grote voordeel van? Of zijn er andere oplossingen voor het zoetwatervraagstuk (zoals het zoet houden van het Volkerak). Kortom, vragen te over. En voorlopig kom ook ik tot de conclusie dat omschakelen naar zoet te grote nadelen heeft en dat de voordelen daar nog niet tegen opwegen. Maar laat me graag overtuigen.”

Intro: Dit jaar heb ik met als kop “Een zoet of zout Grevelingenmeer” een elftal korte stukjes geschreven met een eigen insteek en over diverse aspecten, alsmede een stukje over de ontzilting van een zoet meer. Deze zijn op Facebook, LinkedIn en Twitter geplaatst. Aanbevolen.

1. In feite mag men zich zeer over deze vraagstelling verbazen. Het is de omgekeerde wereld. Immers voor de mens in Zeeland is de zee de grote bedreiging voor zijn bestaan. Niet alleen qua veiligheid, maar ook vanwege de beschikbaarheid van zoet water. Wie is er zo gek om de oppermachtige zee een handje te gaan helpen?

Deels begrijpelijk vanuit een eenzijdige continu gerichte aandacht op zoutwatermilieu gedurende bijna twee generaties. De vraagstelling gaat er van uit dat mensen de zee meer ruimte hoort te bieden met zijn zoutwatermilieus ook al dwingt de zee zelf ons er niet toe en dat land en zoetwater er eigenlijk niet toe doen. Daar kan visserij uitgeoefend worden, die bij een zoutwatermilieu hoort. Andere milieus zijn in die benadering inferieur, worden randverschijnsel en genegeerd. Alles draait om het stimuleren van zoutwatermilieus, waarvoor men zelfs kostbare infrastructurele werken wil uitvoeren voor lang gekoesterde onwerkelijke wensen om bepaalde zoutwatermilieus een ander karakter te geven. Waarom dit allemaal? Om dan in nood zoetwater onnatuurlijk met pijpleidingen aan te voeren? Het is een elitaire luxe, die vooral Zeeland zichzelf toestaat, maar zich dat in wezen niet kan en mag veroorloven. 97% van al het water op aarde is zout. Zoutwatermilieu is het meest algemeen voorkomende onderdeel van de natuur, maar is niet de natuur.

Het is in Zeeland niet de zee, die om zout water vraagt, maar een selecte groep mensen, die zich niet meer bewust is van de eigen bestaansgrond en deze veronachtzaamt.

Het gaat immers primair om de existentie van de mens in de delta. De mens is onderdeel van de natuur en maakt specifiek deel uit van het zoetwatermilieu. De mens kan niet in een zoutmilieu leven. Zelfs niet in een louter brak milieu. Brak water is een mengsel van zeewater met een overmaat aan zoetwater. Het luistert heel kritisch.

Hoe kan de mens, deel uitmakend van die natuur, zo lang en zo goed mogelijk leven in die delta? De mens moet kunnen beschikken over grond onder de voeten en zoet water en voorts aan voedsel kunnen komen. Zoals elke soort, wil de mens zijn mogelijkheden daarvoor benutten. Visserij is een afgeleide hiervan. Vissers zullen ook grond onder de voeten en zoet water moeten hebben van waaruit ze kunnen uitvaren. Er is slechts 3% aan zoet water op aarde, waarvan bijna 70% in de vorm van ijs en slechts 0,26% in de vorm van vrij oppervlaktewater. Dat laatste is dus uiterst schaars en dus uniek. Het smelten van de poolkappen doet het zoete water afnemen en wordt onderdeel van het zoute water. Als de mens zelf niet kan leven, dan kunnen er ook geen groepsbelangen ontstaan en geen cultnatuurprojecten worden bedacht. Natuurbescherming is iets heel anders. Het Deltaplan ging dan ook in één adem over veiligheid en zoetwaterbeheer. De zoutwaterlobby wenste dat te ontkoppelen, waardoor geen aandacht meer werd geschonken aan zoetwaterbeheer. Er wordt dus pot verteerd op het nog aanwezige zoete grondwater op de eilanden, terwijl tevens de vertraagde verziltingsinvloed van het omringende zoute water op het grondwater nog altijd doorgaat. Naast veiligheid is zoetwaterbeheer een eerste vereiste en dient uitgangspunt te zijn en niet zout water.

2. Zoetwaterbeheer en zijn functies in de delta.

2.1. Algemeen. Door Nederland stroomt heel wat van dat zeer schaarse zoete open water. In het overgrote deel van het jaar is er een overvloed aan zoetwateraanbod, dat versneld naar zee wordt afgevoerd. Een deel van de rivierafvoer wordt standaard gebruikt als verziltingsbestrijding op de vaarwegen naar de Noordzee, met name de Rotterdamse Waterweg. (De Westerschelde kent een eigen gedrag.) Hierin valt een grote effectiviteitslag te maken. De druk hierop zal de komende tijd alleen maar toenemen. Het Kierbesluit Haringvlietsluizen kost ook zoet water, waar een tweetal effectievere alternatieven voor zijn. Steeds meer wordt het tekort aan zoet water in den lande ervaren door uitputting van het zoete grondwater. De enige grootschalige zoetwaterbuffer in Nederland is het IJsselmeer en maakt ons erg kwetsbaar. In langere droogte periodes begint ook het ondiepe IJsselmeer te verzilten. Grootschalige opslag van zoet water wordt steeds dringender. Regionale spreiding van die opslag vermindert de kwetsbaarheid. In de zuidwestelijke delta was daarvoor o.a. het Grevelingenmeer bedoeld en bij uitstek geschikt voor dit doel. In het overgrote deel van het jaar is het op de Noordzee geloosde zoet water via het Haringvliet in principe en wel op natuurlijke wijze beschikbaar voor het Grevelingenmeer, zonder aanpassing van de afgesproken verdeelsleutel van zoet water. Nu het gezond verstand in de Tweede Kamer heeft gesproken om het Volkerak-Zoommeer definitief zoet te houden, mag aangenomen worden, dat dit niet meer ter discussie staat. Dit meer is nu de eerste doch smalle verdedigingslinie tegen verzilting van de Brabantse delta, maar ondervindt zelf met name verziltingsdruk vanuit het huidige Grevelingenmeer en de Oosterschelde. Bovendien wordt daarmee het verziltingprobleem van Tholen verkleind.

Het waterbeheer van de eilanden valt niet los te koppelen van het waterbeheer van de omringende wateren.

De centrale opgave is maximale berging en benutting van het schaarse zoete water voordat het op de Noordzee komt. Het Grevelingenmeer kan heel goed en degelijk ontzilt worden en gehouden. Het gaat niet om doorspoeling. Dit is optimaal, maar elke significante verlaging van het zoutgehalte op het meer door gedeeltelijke berging van zoetwater vermindert op termijn de verzilting van het grondwater van de aanpalende eilanden. De merkbare effecten op het grondwater duren generaties. Daarom komt er nu andersom pas na twee generaties van verziltingbeleid aandacht voor zoet water en dan nog als randverschijnsel. Het Deltaplan voorzag in een zoet Grevelingenmeer. Door de zoutlobby hebben we al twee generaties lang essentiële tijd verloren.

3. Een zoet Grevelingenmeer. De bergingsfunctie van zoetwater op het meer kent een zeer lange termijn aspect (1) en een lange termijn aspect (2). Voor de buffering van zoet water is een inlaatsluis in het noordelijk deel van de Grevelingendam nodig. (De Flakkeese is overbodig en was al onnodig.)

Intermezzo. De Zeeuwse delta kent een verziltinggeschiedenis. Gedurende een zestal eeuwen heeft de zee zeearmen ontwikkeld in het afvoergebied van de rivieren. Die afvoer richtte zich steeds meer naar het zuiden. De ondiepe geulen naar zee verdiepten zich vanaf de late Middeleeuwen steeds meer en de verzilting landinwaarts nam steeds verder toe. Reden om tot het Deltaplan te komen. Nu wordt de afvoer van zoet water naar de Zeeuwse delta geblokkeerd en is het zoutgehalte in de zoute wateren nog nooit zo hoog geweest.

Bufferfunctie 1. (Zeer lange termijn.) Is onderdeel van de strategie om het zoete water zo goed mogelijk naar de kustlijn te brengen en te houden ter langdurige algemene bescherming van het inlands gelegen zoete grond- en oppervlaktewater tegen de toenemende verziltingsdruk door de zee. Bescherming van de schaarste. Op den duur kan de verziltingsdruk door de zee zodanig zijn toegenomen, dat een langzaam toenemende blijvende zoutbelasting in het meer geaccepteerd moet worden. Maar ook dan is men nog lang niet toe aan maatregelen, waaraan in het ‘Zeeuwse Deltaplan Zoet water’ gedacht wordt. Concreet betekent het zeer langdurige bescherming.

Bufferfunctie 2. (Lange termijn, het directe Zeeuwse belang en (beperkter) van Zuid-Holland.) De directe invloed op het grondwater van Schouwen-Duiveland en Goeree-Overflakkee en de mogelijkheden voor het zoetwaterbeheer van de eilanden. Tevens neemt het de verziltingsdruk naar het Volkerak-Zoommeer weg, waardoor er minder doorspoelwater nodig is dat ten goede van Tholen kan komen.

Het zoete meer zal allereerst de op gang zijnde verzilting van het grondwater van de aangrenzende eilanden tot staan brengen en voorts langzaam zorgen voor ontzilting. Het zoete water uit het meer kan een grote bijdrage leveren aan het zoetwaterbeheer van de eilanden. Natuurlijk, flexibeler en zo veel meer dan men denkt te kunnen bereiken met het huidige voorgestelde “gekunstelde” ‘Zeeuwse Deltaplan Zoet water’. N.B. Het voordeel van een zoet meer is, dat de interne waterbeweging veel rustiger en stabieler is dan in het huidige zoute meer door de invloed van de variabele omstandigheden van het water uit de voordelta. Deze invloed kent het zoete meer niet. Bovendien is het dichtheidsverschil tussen zoet water en zeewater een orde groter dan de dichtheidsverschillen op het zoute meer en kent een sterkere en stabielere gelaagdheid, weinig menging.

Men kan die bufferfunctie begrensd realiseren met alleen de gegeven Brouwerssluis, waarvan de bodem ligt op N.A.P. -11 m. Daarmee kan men een zoete bovenlaag van ca. 15 m diep bereiken. De wind kan tot ongeveer die diepte voor menging zorgen. Hoe dieper hoe minder menging. Aanvoer van zout water van verschillend gehalte vindt alleen plaats via de bodem en de oevers. Het zoute water van de oevers is het effect van de ontzilting van het grondwater op de eilanden. In deze situatie is wel sprake van een zekere gewenste mate van “doorspoeling”. D.w.z. dat er een mate van zoet water verloren gaat om zouter water mee naar buiten te slepen. Dat is niet continu nodig en kan wachten op extra zoet wateraanbod.

De effectiviteit van een zoet meer wordt maximaal vergroot door voor de Brouwerssluis een zgn. dichtheidsscherm te plaatsen. Alleen het diepste en zwaarste water wordt naar zee afgevoerd. De optimale bodemdiepte onder de spleet van het scherm kan op basis van een kosten-baten analyse bepaald worden. Bij een bodemdiepte van N.A.P. –35m kan bijna alle volume aan zout water worden afgevoerd. Ook kan die diepte b.v. vastgesteld worden op basis van de huidige waterkwaliteitseis bij het zoute meer, dat niet meer dan 5% van de bodemoppervlakte zuurstofloos mag worden.

De oplossing van Brouwerssluis met dichtheidsscherm zorgt naast maximale berging van zoet water met minimaal zoetwaterverlies voor grote flexibiliteit van de inzetbaarheid van die buffer voor het zoetwaterbeheer van met name Schouwen Duiveland, dat daar nu geheel van verstoken is. Het is de redding voor dit eiland. Goeree-Overflakkee verkeert nog in de gelukkige omstandigheid van zoetwaterinlaat vanuit het Haringvliet. Het waterpeil in het Haringvliet ligt hoger dan dat in het Grevelingenmeer. Anders kan er geen water vanuit het Hollands diep naar de Grevelingen stromen. Er is geen sprake van doorspoeling, alleen verdringing van het zoute bodemwater in perioden van beschikbare aanvoer van zoet water.

In perioden van lage afvoeren c.q. droogte kan Schouwen-Duiveland een begrensd beroep doen op de buffer in het Grevelingenmeer. Nadat het minimum waterpeil van het meer bereikt is, kan men als de nood hoog is meer zoet water onttrekken zonder dat er zoetwater vanuit het Hollands Diep via het Volkerak-Zoommeer wordt aangevoerd, dankzij de geometrie van het meer. De locatie van de Brouwerssluis is bewust gekozen bij het diepste deel van de diepste geul. Men kan dan het minimum waterpeil handhaven door via de Brouwerssluis en het dichtheidsscherm water uit de voordelta tijdelijk in te laten. De zoute onderlaag groeit dan. Zodra de rivierafvoeren weer aantrekken kan de buffer weer op orde gebracht worden en de zoute onderlaag teruggedrongen. Het zorgt voor optimale flexibele benutting van het zoete water en maximaal gebruik van de berging. Het is tevens de snelste manier om het meer te ontzilten.

Een dichtheidsscherm is niet gratis, maar een fractie van de kosten van een gewenste 10x zo grote sluis in de Brouwersdam voor het zoute Grevelingenmeer, terwijl die sluis niet nodig is voor het beperkte, doch zo opgeblazen, waterkwaliteitsprobleem.

Voor de zoetwaterproblematiek van Schouwen-Duiveland in brede zin is dit zoete Grevelingenmeer de duurzame oplossing.

4. Het Volkerak-Zoommeer heeft een andere functie, maar kan lokaal zeker, maar begrensd, voorzien in zoetwateraanvoer, i.c. Tholen. Tholen kent geometrisch een schotelvorm. Het betekent soelaas vanuit de oostzijde van het eiland. De westzijde is gebaat bij het stimuleren van een zoetwatergradiënt op het Zijpe, Mastgat, Keeten. Het Volkerak-Zoommeer is ondiep en er is intensieve scheepvaart. Het versterkt de menging van de zoutlast op het meer en bepaalt de behoefte aan doorspoeling. Het verhogen van het peil wordt begrensd door de vaste bruggen, terwijl de Rijndoorvaarthoogte moet worden gegarandeerd. Dit beperkt de mogelijkheden voor buffering en zoetwatervoorziening vanuit het meer.

5. De zoutgebonden visserij betreft met name de oesterteelt. Door de luwte, die door de Deltawerken is ontstaan, kon deze een grote vlucht nemen op het meer. Natuurinstituties zien dat toch met lede ogen aan. Zij zien liever meer oppervlakte aan zeegras. Hoewel diep geworteld in de Zeeuwse samenleving, is het een (relatief) kleine bedrijfstak. In de keuze zout of zoet voor de voedselvoorziening van de mens staan de belangen van oesterteelt en landbouw tegenover elkaar. Is de oesterteelt zoveel belangrijker, dat de keuze voor een zoet meer niet opportuun is?

6. De natuur en het Grevelingenmeer. Het meer is in 1971 tot stand gekomen met de realisering van de Grevelingendam in 1965 en de voltooiing van de Brouwersdam in 1971. Het had op dat moment een zoutwatermilieu, maar de bedoeling was om tot een zoetwatermilieu te komen. Dit kunstmatige meer was zo volledig afgesloten voor de natuurelementen zee en rivier. Als zodanig staat het op zich en wordt het beïnvloed door de neerslag, de afwatering van de eilanden en uitwisseling door schutsluizen.

Van alle water op aarde is 97% zout en zoet oppervlaktewater maakt er slechts 0,008% (0,26% x 3%) van uit. Waarom zou er dan een absolute voorkeur moeten bestaan voor een zoutwatermilieu boven een zoetwatermilieu, dat langs natuurlijke weg gevoed wordt? Zeker waar dat nu (en) voor de toekomst essentieel is om zoet water te bergen en zo lang mogelijk vast te houden. Waarom houdt de zoutlobby zo krampachtig vast aan een kunstmatig zout meer en blaast het de natuurwaarde er van zo op? Zowel zoute als zoete watermilieus kennen grote soortenrijkdom.

Er is een overvloed aan zoutwatermilieus, niet uniek, en enorme schaarste aan zoetwatermilieus.

Inmiddels is in dit jonge eigenstandige zoute ecosysteem al drie keer ingegrepen door natuurbeheerders. Tot 1978 trad er een beperkte mate van verzoeting op. In 1978 werd de Brouwerssluis gerealiseerd. Deze is qua grootte en plaats ontworpen op de ontzilting met dichtheidsscherm van het meer, maar bleek tevens groot genoeg om een hoog zoutgehalte op het nog zoute meer te houden door getij invloed in het winter halfjaar. In 1999 werd besloten de sluis het gehele jaar geopend te houden. Het zorgde voor forse veranderingen met name in de fosfaat- en stikstofhuishouding. De samenstelling van het water in de Voordelta is in de winterperiode vrij stabiel, in de zomerperiode en vooral in de lente kunnen zich behoorlijke variaties voordoen in zoutgehalte, temperatuur en nutriënten. In de zomerperiode zorgt het water van de Voordelta voor een behoorlijke import aan stikstof op het meer. Zo ontwikkelde zich In deze eeuw in de zomermaanden een toenemende zuurstofloze onderlaag, die in de winterperiode weer werd opgeruimd. Het is integraal onderdeel van het ecosysteem, zoals dat nu is. Die zuurstofloze onderlaag is niet dood en heeft een eigen functie. Het bacterieleven zorgt voor een afbraak van de stikstof. Daardoor is het stikstofgehalte in het meer lager dan in de Voordelta en beperkt de algenbloei. Op het hoogtepunt kan deze zuurstofloze onderlaag zich tot zo’n 15% van de bodem ontwikkelen. (De inhoud ervan is qua % aanmerkelijk kleiner.) In 2013 werd het meer door Nederland aangemeld als Natura 2000-gebied met habitatdoelstellingen. Men wist dat het optreden van een zuurstofloze onderlaag een van de eigenschappen was van dit ecosysteem en daardoor mede beschermd werd. Het is volstrekt onduidelijk wat de beweegredenen van de natuurambtenaren waren om een 13 jaar jong onnatuurlijk meer zonder “bewezen natuur” aan te melden voor een bescherming van het hoogste niveau als van eminent Europees belang zijnde. De habitatdoelstellingen zijn wensen, die niet voortvloeien uit de ervaringen met dit ecosysteem. Bovendien zijn er habitatdoelstellingen, zoals trekvogels, die niet noodzakelijkerwijs betrekking hebben op dit zoute milieu. Het is evenwel duidelijk, dat deze aanmelding een zoet meer in de toekomst zou bemoeilijken. In 2017 zijn aan de doelstellingen nog een tweetal habitats betreffende zeehonden toegevoegd. Opvallend, want vanaf de start van de bouw van de Brouwersdam in 1961 tot 2000 zullen er geen zeehonden op het meer zijn voor gekomen. Nu worden er in de zomermaanden zeehonden waargenomen. Het gaat dan niet om de habitat zelf, maar om een logeerfunctie. De wensdoelstellingen worden zo steeds verder naar boven toe bijgesteld.

De gecommuniceerde opgelegde Natura 2000-doelstellingen trekvogels en zeehonden gaan niet over het zoutwatermilieu zelf.

Het jaarlijks periodiek voorkomen van een zuurstofloze onderlaag wordt, ondanks de beschermde status, gevoeld als een waterkwaliteitsprobleem. In de kaderrichtlijn water is als doelstelling opgenomen, dat de zuurstofloze onderlaag niet meer dan 5% van de bodemoppervlakte mag beslaan. Heeft de KWR de status om Natura-2000 te overrulen? Evenwel is hier eenvoudig aan te voldoen. Een terugkeer naar alleen de winteropening. Toen bestond deze steen des aanstoots niet.

Merkwaardigerwijs wordt dit in de publiciteit tot buitensporige proporties opgeblazen, terwijl het toch beperkt is in tijd, plaats en omvang. Grote woorden als dat het “een dood en getijloos meer zou zijn, dat gereanimeerd moet worden”. Er zou weer getij op het Grevelingenmeer moeten komen. (Het was er toch al?) Men zou daarom een 10x zo grote sluis bij de Hompelgeul moeten maken. Het meer zou dan weer van zuurstof worden voorzien. Wat een onzin! Zo werkt het niet. Het gaat hier kennelijk niet om het geïntroduceerde waterkwaliteitsprobleem, dat ten onrechte gebruikt wordt om zo’n grote sluis te mogen realiseren, maar om aanvullende wensen van biologen. Nu is er een nauwelijks zichtbaar getijverschil van een paar cm. Met die nieuwe sluis komt er ca. 30 cm tijverschil* (oorspronkelijke tijverschil tussen 2,5 en 3m). Zo groot als tussen de toppen van mijn vingers en mijn elleboog. Zo wordt een smalle strook intergetijden gebied gecreëerd als extra foerageergebied voor (trek)vogels.

* Het zichtbare tijverschil wordt door de getijgolf veroorzaakt, maar zegt niets over de stroming.

Een gigantisch kostbare operatie met fundamentele nadelen**. En voor wat? Het is onnodig optuigen. Wederom wordt er dan voor de 4e keer wezenlijk ingegrepen in het “beschermde” ecosysteem van het meer (Natura 2000). Of gaat het om de luimen van biologen?

** Zoals: de sluis zorgt voor aantasting van de primaire waterkering enen de opbouw van het kustfundament tegen de dam met zijn belangrijke ecologische functie; de 30 cm zone is niet klimaatbestendig te handhaven en het beheer er van zal de sluis geregeld doen sluiten bij sterke noordwesten wind.

Het waterkwaliteitsprobleem is zelfs zo klein, dat men de huidige situatie kan handhaven en periodiek hooguit een drietal pompen voor verticale circulatie kan laten werken bij Den Osse, bij Scharendijke en in het Springersdiep voor Goedereede (zie Rydberg en Lases, 2019).

De door biologen zo gewenste nieuwe sluis in de Brouwersdam is volstrekt onnodig voor het waterkwaliteitsprobleem en op zijn zachtst gezegd is er gerede twijfel of deze een positieve bijdrage kan leveren voor het probleem. Weggegooid geld!

Gerede twijfel bij de werking. De gebruikte berekeningsmethode bij de projectontwikkeling is niet geschikt voor deze problematiek. De extra beschikbare getijdenenergie door deze sluis laat zich niet zo maar over het meer verdelen, want het zegt immers niets over wat er in het meer gebeurt. Beschikbare gegevens uit de huidige situatie zijn voor dat model niet bruikbaar, omdat de sluis op een onvergelijkbare geometrische en voor het doel onlogische plaats is gepland. Bij vloed komt uit de sluis een sterke stroming het meer op. Deze vertraagt in het gebied direct achter de sluis door menging met het rustige water op het meer in de bovenlaag tot een bepaalde diepte. Daar vindt de “beluchting” plaats. Hier vindt het grootste deel van verlies aan de getijdenenergie plaats en bereikt de diepste lagen niet. Het inkomende water drukt verder als golf het water in het meer op naar de Grevelingendam. De waterbeweging in het meer wordt verder veroorzaakt door verschillen in dichtheid door temperatuur en zoutgehalte. Het zorgt voor de nutriënten verdeling en heeft zo invloed op de primaire productie van algen en de zuurstofvraag. De 10x zo grote sluis zorgt voor een ca. 5x zo grote stikstofbelasting op het meer en kan van negatieve invloed zijn op het waterkwaliteitsprobleem”. Enerzijds is de sluis onnodig, anderzijds is een positieve werking uiterst onzeker.

Het is helemaal weggegooid geld, als men zover is om er toch een zoet meer van te maken. Voorkom dus de realisatie van deze sluis.

7. Toekomstige veranderingen in waterbeleid van Ooster- en Westerschelde.

7.1. Oosterschelde. (zie voordracht F.Spaargaren bij De Levende Delta.) De kunstwerken, stormvloedkering Maassluis, de Haringvlietsluizen, de Oosterscheldekering raken aan het einde van hun levensduur. Vóór 2050 moeten we weten en gesteld zijn, wat we met deze kunstwerken willen, Dat proces moet nu opgestart worden. Wat willen we als de Oosterscheldekering niet meer (goed) kan functioneren? De Oosterscheldekering definitief dicht zetten en in de dam opnemen of verwijderen en alle zeedijken gaan verhogen en verbreden om de versneld stijgende zeespiegel na 2050 met de stormvloeden te kunnen weerstaan? Nu is die tweede mogelijkheid schier onbetaalbaar, kost heel veel grond, zo sterk als de zwakste schakel in die ‘honderden’ km’s inclusief Keeten, Mastgat, Zijpe. (Het is schier onmogelijk om steeds op te schalen vanwege klimaatontwikkeling.) Dat zal allereerst leiden tot verdere compartimentering, zoals een primaire dam in de Keeten (Stavenisse-Ouwerkerk) en een primaire dam van b.v. de westpunt van Tholen naar Kattendijke met verzoeting van die wateren. De eerste mogelijkheid kan ook om praktische reden verder leiden tot een secundaire dam Stavenisse-Ouwerkerk met verzoeting van het geheel.

7.2. Westerschelde. Minimaal is voor de veiligheid een stormvloedkering in de monding van de Westerschelde met afwikkeling van de diepstekende schepen op de Vlakte van de Raan onontkoombaar. De zoutindringing op de Zeeschelde wordt teruggedrongen en het zoutgehalte op de Westerschelde wordt met name in het oostelijk deel verlaagd. Beter is een volledige dam met sluizen, maar dat zal een brug te ver zijn. Zeeschelde en Westerschelde zullen verzoeten. De haven van Antwerpen zal dat zo lang mogelijk afhouden, de stad Antwerpen heeft er echter alle belang bij om dat snel te realiseren. Immers bij Antwerpen slingert het getij maximaal op en ook de stormvloeden lopen daarenboven sterk op door de toenemende vernauwing van de Zeeschelde. Jammer, dat in de VNSC de Haven van Antwerpen allesbepalend is en dat de natuurorganisaties uit die hand eten voor de steun en mogelijkheden, die de haven biedt om compensatie te vinden op het land en niet in de Westerschelde zelf, waar het thuis hoort. Zo kijken de natuurorganisaties vanwege eigen belang weg van de verdere achteruitgang van de Westerschelde en kan dit ondermijnende gedrag door gaan. Het is de hoogste tijd dat die verdere aanpassingswerken in de Westerschelde qua verdieping en verruiming gestopt worden. Stormvloedkering en dam met sluizen zijn niet in strijd met het internationaal recht van vrije vaart.

Slot. Er zal hoe dan ook en snel naar een gesloten kustlijn toegewerkt moeten worden. Almaar dijkverhogingen over honderden kilometers heeft geen toekomst.

Wil Lases

N.B. Hieronder het zichtbare gevolg voor de dijken door eeuwen van toename van het getij en de uitschuring van de zeegeulen. Het hangt ons bij een beleid van dijkverzwaringen ook boven het hoofd.

Een impressie van de dijkontwikkeling in de omgeving van Breskens.


 

DE OMMEKEER NAAR ZOETWATERBEHEER

 


| 24-12-2020 |

 

Het gemiddelde zoetwaterverbruik van een Nederlander is 2,3 miljoen liter per jaar en ligt voor    89 % in het buitenland, ook landen met waterschaarste (bron: A. Hoekstra, National Geographic, 2010). Dit laatste gaat over water benodigd voor importproducten als koffie, kleding, cacao, etc. Het water dat we hier ter plekke verbruiken is vergelijkbaar met zo’n 16 à 17 % van de jaarlijkse neerslag. De hoeveelheid rivierwateraanvoer is daarvan nog eens het dubbele. We krijgen zo een overvloed aan zoet water, in de orde van zo’n 300 miljoen m3 per dag, waarvan we 5 à 6 %  gebruiken. Het meeste zoete water passeert Nederland ongebruikt en een tijdelijk teveel aan neerslag wordt doorgaans vlot afgevoerd. Spaarzaam en circulair omgaan met zoet water is een goede zaak, maar het is overduidelijk dat voor Nederland bij waterschaarste de structurele oplossing ligt in het vasthouden van zoet water.

Ondoordachte keuzes
Tijdens en na de Deltawerken werden de Zeeuwse wateren op initiatief van een behoudende natuurbeweging zouter dan ooit. De natuurwaarden zakten verder weg en er ontstonden nijpende zoetwatertekorten. Het grondwater van de eilanden verzilt inmiddels sterk en de zoetwatervoorraad Volkerak-Zoommeer heeft last van zoute kwel vanuit de aangrenzende zoute wateren. Wat vinden we met de kennis van nu van de gemaakte keuzes voor grootschalige lozing van zoet water in zee, voor zoute meren en open zeegaten, voor grondwateronttrekking en belemmering van herstel? Zie en beluister hiervoor de Nieuwsuurrapportage van 30-9-2020 ‘De verdroging van Nederland is vooral een keuze’ en van reporter-radio. Nu de verwachte zeespiegelstijging een bedreiging vormt voor de waterveiligheid en de zoetwatervoorziening, wordt het tijd de ontstane achterstand weg te werken door opnieuw te kiezen voor de klimaatbestendige doelen van het oorspronkelijke Deltaplan: kustverkorting en zoete meren.

Het zoete zuidwesten
Bij water hangt alles met alles samen. De waterhuishouding van de Zeeuwse eilanden en de tussenliggende wateren is niet te scheiden en ook de gebieden Rijnmond-Drechtsteden en Zuidwestelijke Delta vormen één geheel. Door tegenstrijdig beheer ontstonden zoute en zoete locaties, met en zonder getijde. Het werd een kunstmatige en benauwende fragmentatie van ‘samenhang op bekkenniveau’. Locale keuzes zorgden decennia lang voor toenemende problemen. Door het jaar heen voeren de rivieren nog altijd dezelfde hoeveelheden zoet water aan als voor de Deltawerken. Het overschot is meer dan voldoende om de voormalige zeegaten te verzoeten en te verversen. In verreweg het overgrote deel van het jaar wordt nu het teveel aan zoet water via het Haringvliet afgevoerd. In beginsel is dat beschikbaar voor een zoet Grevelingenmeer en een Oosterscheldebekken zonder te hoeven tornen aan de huidige verdelingsafspraken voor zoet water.

 

Zeewaartse verzoeting, uitbreiding noodberging en bescherming Zuidwest Nederland

De spuisluizen Volkerak zijn aangelegd om Krammer-Volkerak, Grevelingen en Oosterschelde zoet te maken. Ze liggen al klaar om overtollig rivierwater uit Rijn/Maasmond af te laten stromen naar Zeeland. Deze plannen, indertijd onderzocht en uitgewerkt in het Deltaplan, zijn vergeleken met de lopende projecten goedkoper en bovendien effectief. Voormalige zeegaten kunnen in enkele maanden verzoeten door het bij hoge rivierafvoeren binnenlaten van zoet water en het gelijktijdig uithevelen van de zware zoute onderlaag. Het perspectief van een enorm zoetwaterreservoir is zeer aantrekkelijk voor landbouw, waterafhankelijke sectoren  en leefbaarheid. Het gaat er om het grootste en bovenste deel van de wateren gegarandeerd zoet te houden, zodat Zeeland er in droge zomers naar behoefte vrij uit kan tappen.

Noodberging
Door het waterbergende oppervlak van het Haringvliet aan te vullen met de voormalige zeegaten vermindert de stijgsnelheid bij noodberging van rivierwater naar schatting met 1/6 deel. Met een bekken in zee erbij, afhankelijk van de grootte tot wellicht 1/10 deel. Oppervlakvergroting geeft een sterke toename van de rivierwaterveiligheid.

Evoluerende natuur
In een veranderende Delta past de natuur zich continue aan. Behoudende natuurdoelstellingen zijn er onmogelijk en onwenselijk, zeker wanneer we streven naar zeewaarts gelegen zoet-zoutovergangen en er vervolgens maatregelen genomen worden voor klimaatbestendigheid. Dit betekent dat we afstand zullen moeten nemen van de Rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer en dat de onlangs gepresenteerde Gebiedsagenda Zuidwestelijke Delta 2050 al aan herziening toe is. Jammer van de inspanningen, maar gelukkig is wijziging slechts papierwerk.

De toegenomen urgentie noodzaakt om lopend en nieuw beleid te ijken aan de lange termijn.

Zeesluizen voor de Nieuwe Waterweg
In de vijftiger jaren wilde Rotterdam haar havens uitbreiden. Het standpunt van  Rijkswaterstaat was dat dit prima was. Maar dan wel achter sluizen! Rotterdam kreeg echter haar zin. Een open gebleven Nieuwe Waterweg maakt dat al generaties lang bij elke verbreding en verdieping het zoetwaterverlies en de zoutindring toeneemt. Dit houdt de landelijke zoetwaterverdeling in een knellende greep. Zeesluizen voor de Nieuwe Waterweg kunnen dit stoppen. Het vrijkomende zoete water maakt een herijking van de landelijke zoetwaterverdeling mogelijk en kan vervolgens gebruikt worden voor de meeste wateropgaven. Dit is door diverse partijen meermalen benadrukt, echter nog altijd zonder tastbaar resultaat. Zeesluizen voor de Nieuwe Waterweg (Plan Spaargaren) vormen de sleutel tot een klimaatbestendig land en bieden zowel zeewaterveiligheid als rivierwaterveiligheid. Ze sluiten namelijk de kust van het Rijnmond-Drechtstedengebied en verplaatsen het kantelpunt zee en rivieren naar het zuidwesten, dat een groter en uitbreidbaar vermogen biedt voor tijdelijke berging van rivierwater.  Daarnaast stoppen ze het grootschalige zoetwaterverlies en gaan verzilting tegen. Het vrijkomende zoete water kan gebruikt worden voor verversing, voorraadvorming en doorstroming voor gezonde milieus. Tenslotte bevorderen sluizen de beheersbaarheid van de rivierwaterstanden en leiden ze met een herziene zoetwaterverdeling tevens de sedimentstroming naar het zuidwesten. Jaarlijks bezinkt nog altijd zo’n 3 miljoen m3 slib in het Rijnmondgebied. Met zeesluizen kunnen de waterveiligheid en leefbaarheid duurzaam gegarandeerd worden, evenals de toekomstige concurrentiepositie van Rotterdam als wereldhaven. De vermindering van opslag van fossiele brandstof en de toename van woningbouw rond de stadshavens sluiten hierbij aan. Aangezien deze maatregel probleemoplossend en kosteneffectief bijdraagt aan vrijwel alle wateropgaven kan deze beter zo ver mogelijk naar voor worden geschoven.

Blijf de veranderingen voor
Voorkomen is beter dan genezen. Hoe eerder men zich richt op de realisatie van de huidige wateropgaven, des te eerder zal men de vruchten ervan plukken. Vervolgens kan het Deltaprogramma zich gaan richten op een overkoepelend plan dat de processen klimaatverandering en zeespiegelstijging ruim voor moet blijven. Hoog tijd voor een nieuw waterbeleid dat start met het vasthouden van zoet water. Wie neemt het initiatief, wie gaat het betalen en wanneer is het gereed?

Wil Borm

Adviesgroep Borm & Huijgens


 

OVER WATER 185: OVER RESERVOIRS/ HOUWERS

 


| 31-07-2020 |

 

Recent schreef ik over de toenemende droogte in Nederland. In 2018 schreef ik over de toen voorliggende voorstellen van de Unie van Waterschappen tot aanpassing van de heffingen ter bekostiging van de werkzaamheden van de waterschappen. Ook nu speelt de discussie over wat mag water – waar de waterschappen verantwoordelijk voor zijn – kosten.
 
Water conserveren voor droge periodes zal in de komende tientallen jaren zeker meer aandacht gaan vragen bij het waterbeheer door waterschappen en gemeenten. Dan komt ook altijd de vraag op: “wie zal dat betalen?”
 
Zoals vaker is er niets nieuws onder de zon. Ook vraagstukken als droogte en waterconservering en de daaraan verbonden kosten speelden eerder in het waterbeheer in den lande. Water heeft en had een grote economische waarde. Tal van activiteiten zijn onmogelijk of minder efficiënt met een teveel of te weinig aan water. Dat speelde vroeger ook al.
 
Zo verhuurde de abt van de abdij Tongerlo vanaf 1669 het gebruik van het ten zuiden van Nieuwmoer verzamelde water aan de moerlieden van het Royale Moer onder Zundert. Het beheer van een spui, en daarmee van de watertoevoer werd overgelaten aan een belanghebbende. De abdij ontving daar voor 10 dukatons per jaar. Twintig jaar later werd in een nieuwe overeenkomst de prijs verlaagd naar 5 dukatons per jaar. In 1693 werd de huur opgezegd.
 
Het was niet ongebruikelijk dat ook voor militaire doeleinden reservoirs (houwers) aangelegd werden. Bijvoorbeeld om de inundatievelden snel onder water te kunnen zetten wanneer de vesting werd bedreigd. Bergen op Zoom kende deze houwers ook langs de Bergse Moervaart.
 
Ook bij een ‘nieuwe’ discussie en ‘nieuwe’ behoefte loont het soms om even in de analen te kijken. We kunnen van de geschiedenis vaak wat leren. Water is nooit gratis geweest!

 

Louis van der Kallen