WANNEER WORDT HET ZUIDWESTEN WEER ZOET?


| 16-05-2021 |

 

Omstreeks het begin van de jaartelling lag voormalig zoet laag Nederland achter een vrijwel aaneengesloten kustlijn en vele meters hoger dan de zee. Exploitatie van veen, inpoldering en ontwatering lieten de bodem dalen tot beneden de zeespiegel. Aan landverlies viel niet te ontkomen. Door toedoen van de mens drong de zee ver het land binnen. De grillige belijning van ons land met eilanden en zeegaten contrasteert met het regelmatig gevormde kustfundament. Terwijl iedereen vertrouwd is met een zoet IJsselmeer (voorheen het zeegat Zuiderzee), blijft het een raadsel waarom onder de huidige omstandigheden in het zuidwesten extreem zout gehouden wateren worden geaccepteerd. Het Deltaplan voorzag immers al in zoete Zeeuwse meren! Het natuurlijk verzoeten van deze wateren is de meest voor de hand liggende oplossing voor de  problemen van verzilting en zoetwatertekorten waarmee Zeeland in toenemende mate kampt en een grote stap naar klimaatbestendigheid bij verdere zeespiegelstijging.

Lang gewacht
De plannen voor verzoeting van Zeeland zijn onderzocht en uitgewerkt in het Deltaplan.
Door twee gebeurtenissen in de zestiger jaren, een strenge winter en het lage zoutgehalte vanwege een hoge afvoer, vroeg de (mossel- en) oesterteelt of ze alvast schadeloos gesteld mocht worden en konden stoppen, omdat de Zeeuwse delta na 1971 zoet zou worden. Daaraan werd door het Rijk voldaan. Een deel van de teelt kon naar de Waddenzee verplaatst worden. De sector als geheel kreeg schadeloosstelling dan wel een plaats in de Waddenzee. Degenen die later toch op eigen risico opnieuw begonnen werden gewaarschuwd dat ze geen nieuwe aanspraak op schadevergoeding konden maken.

Deze schoolplaat gaf duidelijkheid.

 

De adviezen van beide deltacommissies zijn echter ten dele overgenomen en zo kregen de hoofddoelen waterveiligheid en zoetwatervoorziening te weinig aandacht. Urgentie vanwege klimaatverandering maakt het plan van Johan van Veen weer actueel en inpasbaar bij zeespiegelstijging.
Door de aanleg van een stormvloedkering bleef de Oosterschelde zout en vanwege de slechte kwaliteit van het Rijnwater in de jaren ‘70 werd de verzoeting van de Grevelingen uitgesteld.
Al met al werden voor zuidwest Nederland ‘zoute’ beleidskeuzes gemaakt voor grootschalige lozing van zoet water via de Nieuwe Waterweg, voor zoute meren in Zeeland, (half)open zeegaten en een blokkade van natuurlijke rivierwateraanvoer naar de wateren en eilanden. Zeeland is nog nooit zo zout geweest!

Vanwege de ontstane zoetwatertekorten kan in Zeeland aan de watervraag voor beregening, doorspoeling en peilbeheer niet meer voldaan worden. Dit veroorzaakt verzilting van sloten en de wortelzone, met sterfte van het gewas als gevolg. Bestaande zoetwaterlenzen lopen de kans geheel of meerjarig te verdwijnen. Zoet water is van levensbelang voor de leefbaarheid van de provincie Zeeland en het tegengaan van de verzilting van West-Brabant.
Wanneer we de balans opmaken, zien we dat het meeste zoete water ons land ongebruikt passeert en een teveel aan neerslag te snel wordt afgevoerd. Veel zoet water gaat verloren door lozing in zee.

De spuisluizen in de Volkerakdam liggen al vanaf hun realisatie te wachten om overtollig rivierwater af te laten stromen naar Zeeland. Het is een misverstand dat er continu aan zoetwateraanvoer moet worden voldaan. Voor verzoeting en verversing is er door het jaar heen meer dan voldoende zoet water beschikbaar.

Detail kaart 11: Het wordt zouter, bron Nationaal Waterplan 2009

 

Met de rug tegen de muur

Het grondwater van de Zeeuwse eilanden verzilt sterk en de beperkte zoetwatervoorraad Volkerak-Zoommeer heeft last van zoute kwel vanuit de aangrenzende zoute wateren. Voortzetting van een beleid van verzilting en zoetwaterlozing maakt dat bij zeespiegelstijging het nu al nijpende zoetwatertekort sterk zal toenemen. Ondanks een aanvankelijk enthousiasme en hoge inspanningen voor tal van zilte planvorming zal men de realiteit onder ogen gaan zien en afstand nemen van bestemmingen, statussen en toegezegde zaken.

Duurzame zoetwatervoorziening en noodberging van rivierwater zijn urgente wateropgaven waarvoor Zeeland staat, gevolgd door het tegengaan van verzilting en het borgen van zeewaterveiligheid bij de te verwachten versnelling van zeespiegelstijging (IPCC/KNMI).
In deze regio dienen de nodige wateropgaven doelgericht en voortvarend opgepakt te worden.

Krijgt de natuur ditmaal kansen ?

Waar men achter de kustlijn zoute natuur probeert vast te houden, gaat het met het milieu bergafwaarts. De beoogde doelen blijken bij  de Oosterschelde en de Grevelingen onhaalbaar. 

In onze steeds veranderende cultuurlandschappen past de natuur zich continu aan. Dat geldt straks ook bij de maatregelen die genomen gaan worden voor klimaatbestendigheid.

Afgelopen jaren werden we ons door klimaatverandering en voortgaande verzilting bewust van de urgentie om het waterbeleid te ijken aan de lange termijn. Daarbij kunnen de te verzoeten wateren onderdeel gaan uitmaken van een gezond en evenwichtig watersysteem. Zeer zeldzame zoetwatermilieus (zoet oppervlaktewater is minder dan een tienduizendste van het water op aarde!) nemen de plaats in van het mondiaal alom aanwezige zoutwatermilieu. Milieuzones schuiven westwaarts op en er ontstaan nieuwe natuurgebieden voor de kust. De keuze voor een migratierivier op zee aansluitend op een kokersluis in de Haringvlietdam ligt voor de hand en kan westwaarts worden verlengd, gelijktijdig met de aanleg van zeesluizen voor de Nieuwe Waterweg en ruimtelijke uitbreiding ten westen van de Maasvlakte. Naast het oppervlak aan natuur zal de biodiversiteit met sprongen toenemen. Een enorme impuls voor de natuur.

Behoud vestigingsklimaat en kapitaal

Vergeleken met de Rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer en Gebiedsagenda Zuidwestelijke Delta 2050, waarin verzouten centraal staat, is verzoeten veel goedkoper, effectiever en duurzamer. Het waterbeleid zal haar ambities en handelingsperspectieven die voortkomen uit het Uitvoeringsprogramma ZWD 2010 -2015+ moeten loslaten. Nostalgie naar de, indertijd ongewenste, situatie van vóór de Deltawerken is nu eenmaal een averechtse en subjectieve drijfveer. Hoe eerder de Grevelingen verzoet, des te eerder zullen mens en natuur er de vruchten van plukken.

Ook het op termijn verzoeten van de Oosterschelde voorkomt overbodige investeringen en schade.

Het verzoeten stopt de verzilting van de eilanden en creëert extra zoetwatervoorraad en bergingscapaciteit. Het perspectief van een groot zoetwaterreservoir, waaruit men in droge zomers naar behoefte vrij uit kan tappen, is zeer aantrekkelijk voor landbouw, natuur, waterafhankelijke sectoren en leefbaarheid. Zo behoudt Zeeland een gezond vestigingsklimaat.

Rivierwaterveiligheid door noodberging

Door het waterbergende oppervlak van het Haringvliet, Hollandsch Diep en Biesbosch aan te vullen met de voormalige zeegaten vermindert de stijgsnelheid bij noodberging van rivierwater tot 1/3 deel. Met een bekken in zee erbij, afhankelijk van de grootte, tot 1/8 deel. Oppervlakvergroting geeft een sterke toename van de rivierwaterveiligheid. Om bij berging milieurampen te voorkomen is het van belang dat de bergingswateren zoet of tenminste brak zijn en komen daarbij de nog te realiseren overgangen van zoet naar zout zeewaarts of voor de huidige kust te liggen.

Bekken in zee

Bij alles is samenwerken met water de juiste keuze. Alhoewel na diverse afsluitingen de natuurlijke vorming van de Voordelta heeft plaatsgevonden, blijft de Zuidwestelijke Delta uiterst kwetsbaar.
Na het verder wegvallen van sterk ondermijnende getijdenstromingen gaan uitgeschuurde stroomgaten zich vullen met sediment en groeit de Voordelta verder aan. Niet alleen de kust, maar ook het kustfundament sluit zich meer. Intussen komt dan wel het einde van de levensduur van de Oosterscheldekering langzaam in zicht, maar bij tijdige realisatie van een beschermend bekken in zee kan dit icoon behouden blijven. Binnen het Kennisprogramma Zeespiegelstijging van het Nationaal Deltaprogramma wordt een tweede kustlijn gezien als kansrijk. Mogelijk dat het Deltaprogramma een impuls kan geven aan het bespoedigen van het verzoeten van de Zeeuwse wateren.

Wil Borm

Adviesgroep Borm & Huijgens    mei 2021


VOOR ZOETWATERVOORZIENING IS HET BUFFEREN VAN OPPERVLAKTEWATER DE ENIGE DUURZAME OPLOSSING!


| 24-03-2021 |

 

Peperdure aanvoer van zoet water via pijpleidingen wordt hiermee voorkomen.

Driekwart van Nederland wordt van zoet water voorzien vanuit het oppervlaktewater. Nu door droge zomers en verzilting de zoetwatervoorziening op de korte termijn verder onder druk komt te staan en bij de hogere zandgronden het grondwaterpeil is gedaald, zal dit aandeel vanuit rivieren en meren nog groter moeten worden. Tijdelijke noodoplossingen, zoals de Zeeuwse eilanden via pijpleidingen van zoet water voorzien, zijn kwetsbaar en uiterst kostbaar, zowel in aanleg als voor het jaarlijkse onderhoud. Ze hebben bovendien een beperkte capaciteit en houdbaarheid. De enige duurzame oplossing van dreigende waterschaarste op de Zeeuwse eilanden ligt in het bufferen van zoet oppervlaktewater in de meren en afsluitbare wateren in combinatie met kustlijnverkorting.

Onbedoelde effecten
De spuisluizen in het Volkerak zijn indertijd aangelegd om Krammer-Volkerak, Grevelingen en Oosterschelde zoet te maken en liggen nog altijd klaar om overtollig rivierwater af te laten stromen naar Zeeland. Met de omslag naar een stormvloedkering, die overigens ook als spuimiddel kan fungeren, bleef de Oosterschelde zout en door slechte kwaliteit van het Rijnwater in de jaren ‘70 werd de verzoeting van de Grevelingen uitgesteld.

Zo werden de Zeeuwse wateren zouter (.pdf) dan ooit. Onvoorzien was dat de natuurwaarden juist verder wegzakten en er nijpende zoetwatertekorten ontstonden. Het gaat bergafwaarts met de natuur van de Oosterschelde en de Grevelingen. Ondanks een aanvankelijk enthousiasme en hoge inspanningen voor landinwaartse zoutwatermilieus gaat men hiervan steeds meer de onhaalbaarheid inzien en zal men dit streven los moeten laten. Wat als idealistische dromen begon, eindigt in hoofdpijndossiers.

Het principe van het oorspronkelijke Deltaplan en de situatie na de Deltawerken.

Het bestaand beleid, dat kiest voor grootschalige lozing van zoet water via de Nieuwe Waterweg, voor zoute meren, open zeegaten en een blokkade van natuurlijke rivieraanvoer, veroorzaakt sterke zoetwatertekorten. Aan de watervraag voor beregening, doorspoeling en peilbeheer kan nu al niet voldaan worden. Dit veroorzaakt verzilting van sloten en de wortelzone, met sterfte van het gewas als gevolg. Resterende zoetwaterlenzen lopen de kans geheel of meerjarig te verdwijnen. Het grondwater van de eilanden verzilt sterk en de beperkte zoetwatervoorraad Volkerak-Zoommeer heeft last van zoute kwel vanuit de aangrenzende zoute wateren.

Voortzetting van dit beleid van verzilting en zoetwaterlozing maakt dat bij zeespiegelstijging de nu al nijpende problemen sterk zullen toenemen door het ontbreken van een deugdelijke zoetwatervoorziening voor het zuidwesten van het land en door de onbereikbaarheid van IJsselmeerwater naar dat gebied.

Niet te scheiden samenhang
Bij water hangt alles met alles samen. De in elkaar grijpende eilanden en wateren van Zeeland zijn, mede gezien de gezamenlijke ondergrond, een waterhuishoudkundige eenheid en zijn niet van elkaar te scheiden. De gebieden Rijnmond-Drechtsteden en de Zuidwestelijke Delta vormen vergelijkbaar eveneens één geheel. Door het jaar heen voeren de rivieren overvloedige hoeveelheden zoet water aan, waarvan we slechts enkele procenten verbruiken. Er is meer dan voldoende om de voormalige zeegaten te verzoeten en te verversen, zonder te hoeven tornen aan de huidige verdelingsafspraken voor zoet water of gebruik te moeten maken van een marginale en dure kustmatige aanvoer (.pdf) met pijpleidingen. Adviesbureau Witteveen+Bos heeft op dat laatste punt de aanvoermogelijkheden voor Schouwen-Duiveland in kaart gebracht en becijfert de kosten met een bandbreedte op 40 tot 180 miljoen euro. De jaarlijkse gebruikskosten worden geraamd op 0,8 tot 3,6 miljoen euro. Los daarvan is er niet een van de onderzochte varianten die op alle aspecten gunstig uit de bus komt, aldus het bureau.

Verzoeting: Grevelingenmeer/ Oosterschelde

De voormalige zeegaten zijn in tijden van hoge rivierafvoeren in enkele maanden te verzoeten door zoet water binnen te laten en gelijktijdig een vergelijkbare hoeveelheid van de zware zoute onderlaag bij eb naar zee te hevelen. Vergeleken met de Rijksstructuurvisie (.pdf) Grevelingen en Volkerak-Zoommeer en Gebiedsagenda (.pdf) Zuidwestelijke Delta 2050 is dit goedkoper, effectiever en duurzamer.

Het verzoeten stopt de verzilting van de eilanden en creëert een groot zoetwaterreservoir, waaruit men in droge zomers naar behoefte vrij uit kan tappen. Dit is zeer aantrekkelijk voor landbouw, natuur, waterafhankelijke sectoren en leefbaarheid.

Noodberging voor rivierwaterveiligheid
Door het waterbergende oppervlak van het Haringvliet, Hollandsch Diep en Biesbosch aan te vullen met de voormalige zeegaten vermindert de stijgsnelheid bij noodberging van rivierwater naar schatting tot 1/3 deel. Met een bekken in zee erbij, afhankelijk van de grootte, tot wellicht 1/8 deel. Oppervlakvergroting geeft een sterke toename van de rivierwaterveiligheid. Om milieuproblemen te voorkomen is het van belang dat de in te zetten wateren zoet of tenminste brak zijn.

Blijf de veranderende omstandigheden voor
De toegenomen urgentie (.pdf) om te komen tot klimaatbestendigheid, maakt een beleidswijziging in waterbeheer noodzakelijk. Hoe eerder men zich richt op de urgente wateropgaven voor het tegengaan van verzilting en voor gegarandeerde zoetwatervoorziening, des te eerder zal men de vruchten ervan plukken.

Gelijktijdig kan het Deltaprogramma zich gaan richten op een masterplan dat klimaatverandering en zeespiegelstijging ruim voor kan blijven. Bij een zeewaartse oplossing voor een klimaatbestendig land, zoals een tweede kustlijn (.pdf), vindt er geen zoutindringing vanuit zee in de rivieren meer plaats en worden de rivieren vrijwel tot aan de huidige mondingen zoet, zodat de bestaande waterinlaatpunten intact blijven. Voor de natuur is het goed dat de wateren onderdeel gaan uitmaken van een gezond en evenwichtig watersysteem. Er ontstaat daarbij nieuw intergetijdengebied, milieuzones schuiven westwaarts op en de Zeeuwse wateren krijgen een prominente functie in de zoetwatervoorziening voor Zuidwest en West Nederland.

Hoog tijd voor een aanpak met kustlijnverkorting en verzoeten van de wateren zoals Johan van Veen beoogde voor het oorspronkelijke Deltaplan, maar allereerst is het van belang om geheel overbodige miljoeneninvesteringen te voorkomen!

 

Wil Borm

Adviesgroep Borm & Huijgens – maart 2021


BESCHIKBAARHEID ZOET WATER VOOR SCHOUWEN-DUIVELAND VAN LEVENSBELANG


| 17-03-2021 |

 

De provincie Zeeland is ver over tijd met haar eerste pogingen om wat zorg te tonen voor zoet water en is zelf verantwoordelijk voor de onhoudbare situatie van de zoetwaterhuishouding op het eiland. Ze houdt echter halsstarrig vast aan omringende wateren met een maximaal zoutgehalte.

Op 10 en 11 maart verschenen een tweetal artikelen, die de problemen rond de beschikbaarheid van zoet water nog eens pijnlijk aan de oppervlakte brachten. Enerzijds in H2O Actueel ‘Aanvoer zoet water op Schouwen-Duiveland vergt miljoeneninvestering’ en op Omroep Zeeland ‘Geacht Kabinet: ‘Zoet water is van levensbelang voor boeren’. H2O doet verslag van de verkenning door ingenieursbureau Witteveen + Bos naar zoetwateraanvoer via pijpleidingen naar Schouwen-Duiveland in opdracht van de provincie. Omroep Zeeland doet verslag van ervaringen van de laatste droge zomers en de hoge nood aan zoet water verwoord door Nicole Gijzel, akkerbouwer.

Er zijn weinig zoetwaterbellen op Schouwen-Duiveland. Het grondwater is over het algemeen brak, waardoor het maken van zoetwaterputten geen zin heeft. De noodkreet van Nicole Gijzel laat zien, dat de provincie zich te lang heeft opgesloten in zijn zoutwatercocon en het primaire belang van zoet water voor de mens steeds heeft genegeerd. Het kwaad is al geschied en lange tijd aan de gang. De provincie is ver over tijd met haar eerste voorzichtige pogingen om wat zorg te tonen voor zoet water. Echt zoetwaterbeleid voeren zit er vooralsnog niet in. De zoute wateren en de gemaakte zoutwatermilieus in het Zeeuwse land lijken daarvan geen schade te mogen ondervinden. Andersom doet de provincie het voorkomen alsof de schade wat betreft zoetwaterproblemen wel meevalt. Men handhaaft het primaire zoutwaterbeleid en het stimuleren van zoutwatermilieus op het land. Het bekendste project op Schouwen is plan Tureluur. Het versterkt de verzilting van het grondwater.

Hoewel in de delta het gedrag en de invloed op elkaar van zoet- en zoutwaterbeleid niet te scheiden zijn, zoekt de provincie nu toch eenzijdig doekjes voor het bloeden op de eilanden voor het zoete water. Men wil daarmee uitstel kopen om zoetwaterbeleid nog niet primair te hoeven stellen. In het artikel van H2O wordt enerzijds gedacht aan lokale oplossingen, zoals druppelirrigatie, opslag van regenwater in bassins en bodem of hergebruik van restwater, anderzijds aan de aanvoer van zoet water van elders via pijpleidingen. Witteveen +Bos heeft in opdracht van de provincie naar de mogelijkheden van die aanvoer een verkenning uitgevoerd. Uit het verhaal van de akkerbouwer blijkt al, dat van de eerste groep aan geopperde mogelijkheden weinig verwacht mag worden. Hooguit hier en daar iets lokaal. Dat de variant van de Noorder Krammer voor kunstmatige zoetwateraanvoer afvalt is logisch, want de Noorder Krammer heeft o.a. last van verzilting door het zoute Grevelingenmeer. De meest logische variant is het Haringvliet, maar zal tevens wel de duurste zijn. De kosten van de 6 varianten variëren van 40 tot 180 miljoen euro. De jaarlijkse gebruikskosten, denk aan energieverbruik, worden geraamd op 0.8 tot 3,6 miljoen. De provincie is van die formidabele bedragen geschrokken en gaat kijken naar de haalbaarheid o.a. door na te gaan in hoeverre de boeren financieel willen bijdragen aan de zoetwateraanvoer. Kan men het als overheid ‘nog zouter maken’?

Het kunstmatige Grevelingenmeer was van oudsher (Deltaplan) bedoeld als zoet meer. Oorspronkelijk ook de Oosterschelde. Was dit gerealiseerd dan waren we nu niet in deze problematiek verzeild geraakt. De provincie houdt echter halsstarrig vast aan wateren met een maximaal zoutgehalte. Zo houden de Oosterschelde en Grevelingen het grondwater van Schouwen-Duiveland in een verziltende wurggreep. De provincie is zelf verantwoordelijk voor de onthoudbare situatie van de zoetwaterhuishouding op het eiland. Wel heeft men honderden miljoenen uit de algemene middelen over voor aanvullende wensen voor zoutwatermilieus, waaronder een nieuwe 10x zo grote sluis in de Brouwersdam, maar wil men niet ruiterlijk de kosten aanvaarden voor alle schade die aangericht wordt. De natuurlijke aanvoer van rivierwater onder vrij verval wordt als ongewenst geblokkeerd. De reden dat daar onvoldoende water voor zou zijn, is gezocht en niet juist.

Men zal er niet aan ontkomen om zoetwaterbeleid primair te stellen en de kwestie fundamenteel aan te pakken. De hoge kosten van kunstmatige externe aanvoer via pijpleidingen geeft daar extra aanleiding toe. Een zoet Grevelingenmeer door wateraanvoer via Hollands Diep, Volkerak en Krammer is heel goed realiseerbaar. Het zoete Grevelingenmeer heeft een fundamentele betekenis voor de zoetwaterhuishouding van Schouwen-Duiveland en is de meest duurzame benadering. Er is een onbegrijpelijke overwaardering voor landinwaartse zoute milieus. Het is dringend gewenst, dat daar een realistische kijk op komt. Wel is de zoutwater visserij dan in het gedrang, maar de visstand, in dit geval met zoetwatervissen, zal aanzienlijk toenemen. Het Grevelingenmeer is geen natuurlijk meer.

Het project van de nieuwe sluis in de Brouwersdam is als aanvullende voorziening door zoutwaterbiologen gewenst, m.n. voor het creëren van een lint van intergetijdennatuur langs het meer met een klein getijverschil van 30 cm. Voor het gevoelde waterkwaliteitsprobleem van de in de zomer beperkt optredende zuurstofloze onderlaag is deze sluis niet nodig. Er zijn daarvoor andere eenvoudige mogelijkheden. Het is bovendien twijfelachtig of deze daar een positieve invloed op kan uitoefenen en weinig klimaatbestendig. Het zoute meer zal instabiel gedrag blijven vertonen. De kosten van de sluis worden geruimd op 150-200 miljoen euro. Daar komen nog eens die 100-180 miljoen bij voor externe aanvoer van zoet water. Tezamen een investering van 250-380 miljoen voor het zoute Grevelingenmeer.

Voor een zoet meer zijn een dichtheidsscherm voor de Brouwerssluis en een zoetwatersluis in de Grevelingendam voor verbinding met de Noorder Krammer nodig. Dit is een relatief eenvoudige sluis voor alleen de aanvoer van zoetwater in de orde van grootte van de Brouwerssluis. Een vrije schatting van de investeringskosten komt op 50-100 miljoen. Tel uit je winst. Een zoetwater meer biedt een gezonde basis voor natuurwaarden en is in het algemeen belang van de mens om te kunnen overleven in de delta.

 

Ir. Wil Lases



 


EEN ZOET ALTERNATIEF VOOR HET ZOUTE GREVELINGENMEER


| 13-03-2021 |

Commentaar op de brief van G.S. aan P.S. dd. 03.11.2020  (.pdf) over een zoet of zout Grevelingenmeer.

Met verbazing heb ik de brief van Gedeputeerde Staten aan Provinciale Staten van 3 november 2020 gelezen over een zoet of zout Grevelingenmeer. Ter informatie wil ik graag inhoudelijk op enige aspecten ingaan vanuit de kennis van getijbeweging, dichtheidsstromen en mengingsverschijnselen. Die kennis is essentieel om het gedrag van zowel een zout als een zoet Grevelingenmeer te doorgronden. Deze kennis is echter in hoge mate verloren gegaan.

Het is nu de tijd om de problematiek van een zoet of zout Grevelingenmeer op tafel te leggen en met open mind opnieuw af te wegen. Zeeland staat op een kruispunt van wegen. Biologen zijn ontevreden over het beschermde ecosysteem, zoals het zich manifesteert. Men heeft moeite om die natuur te accepteren en staat op het punt forse kostbare ingrepen te doen. Tevens doet de steeds verder afnemende beschikbaarheid aan zoet water zich gevoelen. Zeeland wil daarom komen tot een Zeeuws Deltaplan Zoetwater. In de opzet van dat plan blijkt zoetwaterbeleid volledig ondergeschikt te zijn aan zoutwaterbeleid. Voor gedegen waterbeleid zijn beide niet te scheiden. Wil men zoetwaterbeleid serieus nemen voor de toekomst van de mens in Zeeland, dan zal ook het huidige zoutwaterbeleid onderwerp van debat moeten worden.

Uit de brief van Gedeputeerde Staten spreekt een bijzondere passie voor zoutwater milieus. Alsof er geen reële andere keuze zou kunnen bestaan. Desalniettemin is er een overmaat aan zoutwatermilieus in de wereld. In tegenstelling tot zoetwatermilieus, die zeer schaars zijn en in biodiversiteit niet onderdoen. Zoetwatermilieus zijn van levensbelang voor de mens. Enige relativering van zoutwater milieus, hoe mooi die ook kunnen zijn, is zeer gewenst.

Daarnaast schetst de brief een onjuist beeld van het functioneren van een zoet meer en schrijft het zo als onrealistisch weg. De wens van het passiebeeld lijkt de vader van de gedachte. De brief maakt het ene groot en het andere klein. Gaat het nu allereerst om de passie van mensen of om het levensbelang van de mens. Eerst de mens, anders is er ook geen passie.

Het is met name op de beeldvorming van het zoete meer, waarop ik nader inhoudelijk wil ingaan.

Ik verkeer in de omstandigheid in de jaren zeventig met kennis op bovengenoemd gebied gewerkt te hebben bij de waterloopkundige afdeling van de Deltadienst voor het noordelijk- en zuidelijk deltabekken. Ik heb het fundamenteel en toegepast onderzoek gedaan naar de ontzilting van het Grevelingenmeer en het Zeeuwse meer met ondersteuning van het Waterloopkundig Laboratorium. De huidige Brouwerssluis is qua grootte en plaats gebaseerd op de maatgevende situatie van sluis met dichtheidsscherm in de ontziltingsfase. Ja, een dichtheidsscherm is kostbaar, maar zal slechts een beperkt deel bedragen van de kosten van de nieuwe 10x zo grote sluis in de Brouwersdam. De gewenste nieuwe sluis is voor het gevoelde waterkwaliteitsprobleem onnodig en waarover los daarvan gerede twijfel bestaat of deze invloed kan hebben op het waterkwaliteitsprobleem en hoe. Onlangs kwam ik nog een vijftal ontwerpvarianten van het dichtheidsscherm tegen door de directie Sluizen & Stuwen. Ontegenzeggelijk zullen de ontwerpen in de huidige tijd er heel anders uitzien door eigentijdse mogelijkheden. Sneller en goedkoper uit te voeren dan toen. Er is niets onrealistisch aan. Er is uitgebreid onderzoek naar het dichtheidsscherm gedaan. Het zou goed zijn als de provincie haar stelling over onrealisme in officiële brieven onderbouwt. Kennelijk draagt de provincie geen kennis van het gedegen wetenschappelijk onderzoek, dat gedaan is.

Het water dat via de Haringvlietsluizen “overtollig” wordt afgevoerd is in beginsel beschikbaar voor het Grevelingenmeer. Dat is in het overgrote deel van het jaar het geval. Er hoeft zo geen wijziging in de verdeelsleutel te worden aangebracht.

Het is goed voor ogen te houden, dat er veel minder menging tussen zout en zoet plaats vindt bij de ontzilting en nog minder na ontzilting dan bij het zoute meer. Het dichtheidsverschil is immers een orde groter. Een zoet meer is qua interne waterbeweging veel stabieler dan het zoute meer. Het is in hoge mate een tweelagenstroming door de sterke stratificatie tussen zoute onderlaag en de zoete bovenlaag. Het dichtheidsscherm zorgt voor een selectieve onttrekking van de onderlaag. In het begin van de ontzilting zal bij de instroom via de hoog gelegen sluis in de Grevelingendam (nog aan te leggen) een mate van menging optreden tot een zekere diepte van de zoete bovenlaag is bereikt. Er zal zich zo een overgangslaag in zoutgehalte vormen van beperkte hoogte tussen de zoute onderlaag en de zoete bovenlaag. Deze wordt tegen het einde van de ontzilting mede afgezogen.

Wel zal zich bij het zoete meer ook thermische stratificatie, net als bij het zoute meer, optreden. Echter deze zwakke stratificatie in de zomermaanden komt lang niet zo hoog zoals in het zoute meer aan de orde is. (In het zoute meer hebben de zwakke dichtheidsverschillen in zoutgehalte en temperatuur invloed op elkaar.) Ook hierin kan het dichtheidsscherm een positieve rol spelen als dat gewenst wordt en aanvoer van zoetwater beschikbaar is.

Het gaat ook niet om continu “spoelen”, zoals de brief vermeldt. Bij het zoete meer gaat het om een bufferfunctie. Het is van groot belang dat zoet water in een overvloedige situatie, alvorens het de Noordzee bereikt, zo goed en zo lang mogelijk geborgen en gebruikt wordt. De zoete buffer zorgt er voor dat de nog steeds toenemende verzilting van het grondwater van de aanliggende eilanden eerst tot staan wordt gebracht en vervolgens langzaam doch blijvend ontzilt. Het zorgt voor optimale weerstand tegen de toenemende verziltingsdruk van de zee. Op de zeer lange duur zal een acceptatie van een zoutere onderlaag aan de orde zijn. Het Grevelingenmeer blijft dan als buffer fungeren tegen verzilting van de Brabantse delta en weerstand tegen verzilting van het grondwater van de eilanden maximaal houden. De verziltingsdruk vanuit het Grevelingen naar het Volkerak-Zoommeer is weggenomen.

Zowel het waterschap als de landbouwsector zijn zeer gebaat bij het zoete meer. Het waterschap kan op het eiland een flexibel (zoet)waterbeheer voeren. Het grondwater in de bovenlagen kan versneld ontzilt worden. Dat geeft een langdurig blijvend effect. De landbouwsector kan optimaal flexibel over zoet water uit het meer beschikken. Natuurlijk zijn daar ook grenzen aan. Als in droge perioden het laagste toelaatbare peil wordt bereikt kan nog verder zoet water onttrokken worden door via de Brouwerssluis en het dichtheidsscherm water uit de voordelta in te laten, waardoor de zoute onderlaag tijdelijk toeneemt. Als er weer hogere afvoeren zijn wordt het meer aangevuld en de zoute onderlaag weer selectief afgevoerd.

De provincie hoeft niet te vrezen, dat bij de inlaatpunten op het Grevelingenmeer het zoutgehalte niet aan de norm kan voldoen. De zoutbelasting vanuit het Grevelingenmeer naar de Krammer is immers vervallen. Als de doorvoer op het traject Volkerak-Krammer al een lichte zoutbelasting op zou doen, dan geldt dat alleen in de beginfase van de doorvoer. Voor het meer verwaarloosbaar.

N.B. Als het zoutgehalte van de wateren op de eilanden hoger is dan het water in de Grevelingenmeer, ook al zou het niet aan de norm voldoen, dan kan het heel goed als doorspoeling van watergangen gebruikt worden.

Elke verlaging van het zoutgehalte op het Grevelingenmeer is welkom en helpt mee aan het verlagen van het zoutgehalte van het grondwater op de eilanden.

Het meer kan een rol spelen bij hele hoge afvoeren. Het doet de spreiding van de afvoer in de delta vergroten. Belangrijk i.v.m. zeespiegelstijging. En het kan voorzien in extra berging als daar de maatregelen voor genomen worden.

Hoewel het mijn discipline niet is, verbaast het, dat het voorkomen van de zuurstofloze onderlaag van het zoute meer niet als integraal onderdeel van het ecosysteem wordt beschouwd met eigen leven en functie voor het geheel, waaronder denitrificatie. Een ecosysteem is niet alleen maar aaibaar. Het is onnatuurlijk om dit afzonderlijk als een waterkwaliteitsprobleem op te vatten. Ook bij een zoet meer zal het voorkomen van een zeer beperkte zoute onderlaag integraal deel uitmaken van het ecosysteem met eigen functies voor het geheel.

Beknopt heb ik e.e.a. in een artikel “Zoet Grevelingen voor Zeeland van levensbelang!” samengevat, dat o.a. door H2O gepubliceerd is.

Ir. W.B.P.M. Lases, maart 2021.

P.S. De provincie dacht op basis van ervaringen met het Volkerak-Zoommeer eenzelfde soort beeld voor het Grevelingenmeer te kunnen schetsen. Het zijn echter onvergelijkbare situaties. Beide wateren verschillen wezenlijk in geometrie, functie en waterhuishouding. Het Volkerak-Zoommeer is grotendeels een kanaal en ondiep met intensieve beroepsvaart, die voor veel menging zorgt. In tegenstelling tot het Grevelingenmeer. Ja, het Volkerak-Zoommeer kent een mate van doorspoeling, zoals dat gebruikelijk is bij sloten en kanalen. Bij een echt meer is dat anders. Bij het Grevelingenmeer staat de bufferfunctie centraal. Er is helaas te weinig over nagedacht.

Wil Lases


ZOET GREVELINGEN VOOR ZEELAND VAN LEVENSBELANG !

 


| 18-01-2021 |

 

Het zoutgehalte in de wateren van de Zeeuwse Delta en van het grondwater van de eilanden is hoger dan ooit. Het zijn in Zeeland niet de zee en niet de natuur die om zout water vragen, maar beleidsmensen en biologen die de provincie decennia lang op het verkeerde spoor zetten. Immers vanaf de late Middeleeuwen drong de zee steeds meer het afvoergebied van de grote rivieren binnen. De geulen schuurden uit tot zeearmen en de verzilting nam fors toe. Reden voor het ontwerpen en uitvoeren van het Deltaplan, maar door planwijziging wordt de aanvoer van zoet water naar de Zeeuwse Delta al zo’n halve eeuw geblokkeerd.

De natuur in het Grevelingenmeer ontwikkelt zich keer op keer niet zoals gewenst. Met een doorlaatmiddel in de Brouwersdam grijpt men opnieuw in om de natuur naar wens te dwingen, maar dit geeft niet de beoogde doormenging van het zoute Grevelingenmeer. De beheersing van de beperkt zuurstofloze bodem kan eenvoudig en goedkoop door terug te keren naar de winteropening of het plaatsen van enige pompinstallaties voor verticale circulatie. Inmiddels worden de zoetwatertekorten in Zeeland steeds nijpender. De verzoeting van het Grevelingenmeer is voor Zeeland van levensbelang geworden! Het zou dan ook beter zijn om niet verder te gaan met het project Getij Grevelingen.


Zout en zoet
Zoutwatermilieus bedekken grotendeels de aarde. Van alle water is 97% zout. Het smelten van de ijskappen en gletsjers doet het geringe percentage aan zoet water (nu nog 3 %) verder afnemen. Zoet oppervlaktewater maakt daar slechts 0,008% van uit en is dus minder dan een tienduizendste van al het water. Voor de natuur betekent elke toename van dit zoete water meer biodiversiteit. Ook zeewaartse verschuivingen van zoetzoutovergangen dragen daar aan bij. De mens leeft op land en is afhankelijk van zoet water. Dit uiterst schaarse en unieke water wordt intensief gebruikt en is vaak verontreinigd. Gebrek aan zoet oppervlaktewater van goede kwaliteit is de belangrijkste oorzaak van humanitaire conflicten en ecologische aantasting.

Noodzaak van meer gespreide buffering in Nederland
Door neerslag en rivieren bereikt een overvloed aan zoet water Nederland. Dat water wordt doorgaans versneld naar zee afgevoerd. Een groot deel wordt bij gebrek aan zeesluizen standaard gebruikt als verziltingbestrijding op de Rotterdamse Waterweg. Daarnaast wordt door uitputting van het grondwater steeds meer het tekort aan zoet water ervaren. In lange droogteperiodes slinkt onze beperkte watervoorraad van het ondiepe IJsselmeer door verbruik en verdamping en begint deze te verzilten. Landelijke spreiding van grootschalige wateropslag kan de kwetsbaarheid sterk verminderen. Zoet water dient te zijn waar het nodig is.

Volkerak-Zoommeer blijft zoet
Nu het gezond verstand in de Tweede Kamer heeft gesproken om het Volkerak-Zoommeer definitief zoet te houden, is dit meer een eerste smalle verdedigingslinie tegen verzilting van de Brabantse Delta. Helaas ondervindt het meer zelf verziltingsdruk vanuit de alsnog zout gehouden Grevelingen en Oosterschelde. Het meer kan maar beperkt voorzien in de zoetwatervoorziening, aangezien het verhogen van het peil wordt begrensd door de vaste bruggen waarbij de Rijndoorvaarthoogte moet worden gegarandeerd. Dit beperkt de mogelijkheden voor buffering van zoet water. Voor de Zeeuwse eilanden is de vraag naar nieuwe grootschalige zoetwatervoorraden van levensbelang. Een grillig Grevelingenbeheer Het Grevelingenmeer werd voltooid in 1971 om tot een zoet meer te komen. Het water dat op de Noordzee wordt geloosd via het Haringvliet is namelijk beschikbaar voor het Grevelingenmeer, zonder aanpassing van de afgesproken verdeelsleutel van zoet water. Water en land grijpen in Zeeland ineen en zijn wat betreft waterbeheer niet los te koppelen vanwege de gezamenlijke ondergrond met gedeelde waterhuishouding. Het Deltaplan ging dan ook in één adem over veiligheid en maximale buffering van zoet water. Het mocht echter niet zo zijn. Door verontreinigd Rijnwater werd de verzoeting indertijd uitgesteld en van uitstel kwam afstel. Bij het kunstmatige geconserveerde zoute Grevelingenmeer is inmiddels al twee keer (1978 en 2000) ingegrepen door natuurbeheerders. Het is volstrekt onduidelijk wat vervolgens de beweegredenen van de natuurambtenaren waren om een 13 jaar jong meer zonder ‘bewezen natuur’ aan te melden voor een bescherming van het hoogste niveau van Europees belang (Natura 2000-aanwijzing in 2013). En nu wordt er ondanks die Natura 2000-status voor de derde keer ingegrepen in het ‘beschermde’ ecosysteem om de natuur naar wens te dringen. Ditmaal door een geplande extra grote opening in de Brouwersdam. Als ook de Flakkeese spuisluis in bedrijf gaat is dat een extra ingreep, maar die kan door botsende getijgolven niet voor gewenste doorspoeling zorgen.Waar gaat het nu om?

Eenzijdig en niet zinvol
Door eenzijdige propaganda voor zoutwatermilieus gedurende bijna twee generaties, denken velen dat we de zee ruimte horen te bieden, al dwingt de zee zelf ons er niet toe. Men wil daarvoor zelfs kostbare infrastructurele werken uitvoeren. Waarom dit, om vervolgens in nood zoetwater op onnatuurlijke wijze met pijpleidingen aan te voeren? Het is allemaal weggegooid geld wanneer het eenmaal zover is om het meer alsnog te verzoeten. Er zal in de Delta hoe dan ook naar een gesloten kustlijn toegewerkt moeten worden. Over afzienbare termijn zal b.v. de Oosterscheldekering aan het einde van zijn levensduur komen. Wat dan? Almaar dijkverhogingen over een paar honderd kilometer langs de zeegaten en voortgaande verzilting heeft geen toekomst. Een gesloten kustlijn gaat gepaard met verzoeting van de wateren.

Maximale berging zoet water
De centrale opgave is maximale berging en benutting van het zoete water voordat het op de Noordzee komt. Een zoet Grevelingenmeer levert een grote bijdrage aan het zoetwaterbeheer van 3 de eilanden en zal de op gang zijnde verzilting van het grondwater tot staan brengen en dan langzaam ontzilten. Concreet betekent verzoeting van een afgedamd zeegat een zeer langdurige bescherming tegen verzilting. Dit is zo veel meer dan de ’gekunstelde’ maatregelen van het ‘Zeeuwse Deltaplan Zoet Water’. Een reservoir waaruit de omringende eilanden naar behoefte kunnen onttrekken biedt duurzaam perspectief.

Hoe verloopt het verzoeten?
Alleen al met de aanwezige Brouwerssluis, waarvan de bodem ligt op -11 m N.A.P., is een zoete bovenlaag van ca. 15 m diep te bereiken. De wind kan tot ongeveer die diepte voor menging zorgen. De effectiviteit van een zoet meer wordt maximaal vergroot door in het meer voor de Brouwerssluis een dichtheidsscherm te plaatsen om het diepste en zwaarste water naar zee af te voeren. De optimale bodemdiepte onder de doorstroomopening van het scherm kan bepaald worden. Naar de werking van het scherm is uitgebreid onderzoek gedaan.

Bij een bodemdiepte van N.A.P. –35m kan bijna alle volume aan zout water worden afgevoerd. Voor de buffering van zoet water is nog een inlaatsluis in het noordelijk deel van de Grevelingendam nodig. Men moet zich tenslotte afvragen waarom we de binnendringende zee nog langer een handje zouden helpen. Voor de mens in Zeeland is de zee immers de grote bedreiging voor zijn bestaan. Niet alleen qua veiligheid, maar ook vanwege de beschikbaarheid van zoet water blijft Zeeland alleen leefbaar bij een gesloten kust en zoete meren. We mogen Zeeland nu niet opgeven. Voorkom ingrepen, die niet passen in dit perspectief. Het zou goed zijn om nu een breed maatschappelijk debat over het grote belang van zoet water te houden, dat leidt tot beleidsaanpassing en een nieuwe toekomstvisie.

 

Wil Lases


 

WAAROM IS EEN ZOET GREVELINGENMEER VAN GROTER BELANG?

 


| 31-12-2020 |

 

Het gaat bijvoorbeeld niet alleen om natuur. Maar ook om de visserijfuncties die nu op de Grevelingen zijn. En toch ook gewoon de eerste vraag: waarom zouden we het zoet willen hebben, wat is daar dan het grote voordeel van? Of zijn er andere oplossingen voor het zoetwatervraagstuk (zoals het zoet houden van het Volkerak). Kortom, vragen te over. En voorlopig kom ook ik tot de conclusie dat omschakelen naar zoet te grote nadelen heeft en dat de voordelen daar nog niet tegen opwegen. Maar laat me graag overtuigen.”

Intro: Dit jaar heb ik met als kop “Een zoet of zout Grevelingenmeer” een elftal korte stukjes geschreven met een eigen insteek en over diverse aspecten, alsmede een stukje over de ontzilting van een zoet meer. Deze zijn op Facebook, LinkedIn en Twitter geplaatst. Aanbevolen.

1. In feite mag men zich zeer over deze vraagstelling verbazen. Het is de omgekeerde wereld. Immers voor de mens in Zeeland is de zee de grote bedreiging voor zijn bestaan. Niet alleen qua veiligheid, maar ook vanwege de beschikbaarheid van zoet water. Wie is er zo gek om de oppermachtige zee een handje te gaan helpen?

Deels begrijpelijk vanuit een eenzijdige continu gerichte aandacht op zoutwatermilieu gedurende bijna twee generaties. De vraagstelling gaat er van uit dat mensen de zee meer ruimte hoort te bieden met zijn zoutwatermilieus ook al dwingt de zee zelf ons er niet toe en dat land en zoetwater er eigenlijk niet toe doen. Daar kan visserij uitgeoefend worden, die bij een zoutwatermilieu hoort. Andere milieus zijn in die benadering inferieur, worden randverschijnsel en genegeerd. Alles draait om het stimuleren van zoutwatermilieus, waarvoor men zelfs kostbare infrastructurele werken wil uitvoeren voor lang gekoesterde onwerkelijke wensen om bepaalde zoutwatermilieus een ander karakter te geven. Waarom dit allemaal? Om dan in nood zoetwater onnatuurlijk met pijpleidingen aan te voeren? Het is een elitaire luxe, die vooral Zeeland zichzelf toestaat, maar zich dat in wezen niet kan en mag veroorloven. 97% van al het water op aarde is zout. Zoutwatermilieu is het meest algemeen voorkomende onderdeel van de natuur, maar is niet de natuur.

Het is in Zeeland niet de zee, die om zout water vraagt, maar een selecte groep mensen, die zich niet meer bewust is van de eigen bestaansgrond en deze veronachtzaamt.

Het gaat immers primair om de existentie van de mens in de delta. De mens is onderdeel van de natuur en maakt specifiek deel uit van het zoetwatermilieu. De mens kan niet in een zoutmilieu leven. Zelfs niet in een louter brak milieu. Brak water is een mengsel van zeewater met een overmaat aan zoetwater. Het luistert heel kritisch.

Hoe kan de mens, deel uitmakend van die natuur, zo lang en zo goed mogelijk leven in die delta? De mens moet kunnen beschikken over grond onder de voeten en zoet water en voorts aan voedsel kunnen komen. Zoals elke soort, wil de mens zijn mogelijkheden daarvoor benutten. Visserij is een afgeleide hiervan. Vissers zullen ook grond onder de voeten en zoet water moeten hebben van waaruit ze kunnen uitvaren. Er is slechts 3% aan zoet water op aarde, waarvan bijna 70% in de vorm van ijs en slechts 0,26% in de vorm van vrij oppervlaktewater. Dat laatste is dus uiterst schaars en dus uniek. Het smelten van de poolkappen doet het zoete water afnemen en wordt onderdeel van het zoute water. Als de mens zelf niet kan leven, dan kunnen er ook geen groepsbelangen ontstaan en geen cultnatuurprojecten worden bedacht. Natuurbescherming is iets heel anders. Het Deltaplan ging dan ook in één adem over veiligheid en zoetwaterbeheer. De zoutwaterlobby wenste dat te ontkoppelen, waardoor geen aandacht meer werd geschonken aan zoetwaterbeheer. Er wordt dus pot verteerd op het nog aanwezige zoete grondwater op de eilanden, terwijl tevens de vertraagde verziltingsinvloed van het omringende zoute water op het grondwater nog altijd doorgaat. Naast veiligheid is zoetwaterbeheer een eerste vereiste en dient uitgangspunt te zijn en niet zout water.

2. Zoetwaterbeheer en zijn functies in de delta.

2.1. Algemeen. Door Nederland stroomt heel wat van dat zeer schaarse zoete open water. In het overgrote deel van het jaar is er een overvloed aan zoetwateraanbod, dat versneld naar zee wordt afgevoerd. Een deel van de rivierafvoer wordt standaard gebruikt als verziltingsbestrijding op de vaarwegen naar de Noordzee, met name de Rotterdamse Waterweg. (De Westerschelde kent een eigen gedrag.) Hierin valt een grote effectiviteitslag te maken. De druk hierop zal de komende tijd alleen maar toenemen. Het Kierbesluit Haringvlietsluizen kost ook zoet water, waar een tweetal effectievere alternatieven voor zijn. Steeds meer wordt het tekort aan zoet water in den lande ervaren door uitputting van het zoete grondwater. De enige grootschalige zoetwaterbuffer in Nederland is het IJsselmeer en maakt ons erg kwetsbaar. In langere droogte periodes begint ook het ondiepe IJsselmeer te verzilten. Grootschalige opslag van zoet water wordt steeds dringender. Regionale spreiding van die opslag vermindert de kwetsbaarheid. In de zuidwestelijke delta was daarvoor o.a. het Grevelingenmeer bedoeld en bij uitstek geschikt voor dit doel. In het overgrote deel van het jaar is het op de Noordzee geloosde zoet water via het Haringvliet in principe en wel op natuurlijke wijze beschikbaar voor het Grevelingenmeer, zonder aanpassing van de afgesproken verdeelsleutel van zoet water. Nu het gezond verstand in de Tweede Kamer heeft gesproken om het Volkerak-Zoommeer definitief zoet te houden, mag aangenomen worden, dat dit niet meer ter discussie staat. Dit meer is nu de eerste doch smalle verdedigingslinie tegen verzilting van de Brabantse delta, maar ondervindt zelf met name verziltingsdruk vanuit het huidige Grevelingenmeer en de Oosterschelde. Bovendien wordt daarmee het verziltingprobleem van Tholen verkleind.

Het waterbeheer van de eilanden valt niet los te koppelen van het waterbeheer van de omringende wateren.

De centrale opgave is maximale berging en benutting van het schaarse zoete water voordat het op de Noordzee komt. Het Grevelingenmeer kan heel goed en degelijk ontzilt worden en gehouden. Het gaat niet om doorspoeling. Dit is optimaal, maar elke significante verlaging van het zoutgehalte op het meer door gedeeltelijke berging van zoetwater vermindert op termijn de verzilting van het grondwater van de aanpalende eilanden. De merkbare effecten op het grondwater duren generaties. Daarom komt er nu andersom pas na twee generaties van verziltingbeleid aandacht voor zoet water en dan nog als randverschijnsel. Het Deltaplan voorzag in een zoet Grevelingenmeer. Door de zoutlobby hebben we al twee generaties lang essentiële tijd verloren.

3. Een zoet Grevelingenmeer. De bergingsfunctie van zoetwater op het meer kent een zeer lange termijn aspect (1) en een lange termijn aspect (2). Voor de buffering van zoet water is een inlaatsluis in het noordelijk deel van de Grevelingendam nodig. (De Flakkeese is overbodig en was al onnodig.)

Intermezzo. De Zeeuwse delta kent een verziltinggeschiedenis. Gedurende een zestal eeuwen heeft de zee zeearmen ontwikkeld in het afvoergebied van de rivieren. Die afvoer richtte zich steeds meer naar het zuiden. De ondiepe geulen naar zee verdiepten zich vanaf de late Middeleeuwen steeds meer en de verzilting landinwaarts nam steeds verder toe. Reden om tot het Deltaplan te komen. Nu wordt de afvoer van zoet water naar de Zeeuwse delta geblokkeerd en is het zoutgehalte in de zoute wateren nog nooit zo hoog geweest.

Bufferfunctie 1. (Zeer lange termijn.) Is onderdeel van de strategie om het zoete water zo goed mogelijk naar de kustlijn te brengen en te houden ter langdurige algemene bescherming van het inlands gelegen zoete grond- en oppervlaktewater tegen de toenemende verziltingsdruk door de zee. Bescherming van de schaarste. Op den duur kan de verziltingsdruk door de zee zodanig zijn toegenomen, dat een langzaam toenemende blijvende zoutbelasting in het meer geaccepteerd moet worden. Maar ook dan is men nog lang niet toe aan maatregelen, waaraan in het ‘Zeeuwse Deltaplan Zoet water’ gedacht wordt. Concreet betekent het zeer langdurige bescherming.

Bufferfunctie 2. (Lange termijn, het directe Zeeuwse belang en (beperkter) van Zuid-Holland.) De directe invloed op het grondwater van Schouwen-Duiveland en Goeree-Overflakkee en de mogelijkheden voor het zoetwaterbeheer van de eilanden. Tevens neemt het de verziltingsdruk naar het Volkerak-Zoommeer weg, waardoor er minder doorspoelwater nodig is dat ten goede van Tholen kan komen.

Het zoete meer zal allereerst de op gang zijnde verzilting van het grondwater van de aangrenzende eilanden tot staan brengen en voorts langzaam zorgen voor ontzilting. Het zoete water uit het meer kan een grote bijdrage leveren aan het zoetwaterbeheer van de eilanden. Natuurlijk, flexibeler en zo veel meer dan men denkt te kunnen bereiken met het huidige voorgestelde “gekunstelde” ‘Zeeuwse Deltaplan Zoet water’. N.B. Het voordeel van een zoet meer is, dat de interne waterbeweging veel rustiger en stabieler is dan in het huidige zoute meer door de invloed van de variabele omstandigheden van het water uit de voordelta. Deze invloed kent het zoete meer niet. Bovendien is het dichtheidsverschil tussen zoet water en zeewater een orde groter dan de dichtheidsverschillen op het zoute meer en kent een sterkere en stabielere gelaagdheid, weinig menging.

Men kan die bufferfunctie begrensd realiseren met alleen de gegeven Brouwerssluis, waarvan de bodem ligt op N.A.P. -11 m. Daarmee kan men een zoete bovenlaag van ca. 15 m diep bereiken. De wind kan tot ongeveer die diepte voor menging zorgen. Hoe dieper hoe minder menging. Aanvoer van zout water van verschillend gehalte vindt alleen plaats via de bodem en de oevers. Het zoute water van de oevers is het effect van de ontzilting van het grondwater op de eilanden. In deze situatie is wel sprake van een zekere gewenste mate van “doorspoeling”. D.w.z. dat er een mate van zoet water verloren gaat om zouter water mee naar buiten te slepen. Dat is niet continu nodig en kan wachten op extra zoet wateraanbod.

De effectiviteit van een zoet meer wordt maximaal vergroot door voor de Brouwerssluis een zgn. dichtheidsscherm te plaatsen. Alleen het diepste en zwaarste water wordt naar zee afgevoerd. De optimale bodemdiepte onder de spleet van het scherm kan op basis van een kosten-baten analyse bepaald worden. Bij een bodemdiepte van N.A.P. –35m kan bijna alle volume aan zout water worden afgevoerd. Ook kan die diepte b.v. vastgesteld worden op basis van de huidige waterkwaliteitseis bij het zoute meer, dat niet meer dan 5% van de bodemoppervlakte zuurstofloos mag worden.

De oplossing van Brouwerssluis met dichtheidsscherm zorgt naast maximale berging van zoet water met minimaal zoetwaterverlies voor grote flexibiliteit van de inzetbaarheid van die buffer voor het zoetwaterbeheer van met name Schouwen Duiveland, dat daar nu geheel van verstoken is. Het is de redding voor dit eiland. Goeree-Overflakkee verkeert nog in de gelukkige omstandigheid van zoetwaterinlaat vanuit het Haringvliet. Het waterpeil in het Haringvliet ligt hoger dan dat in het Grevelingenmeer. Anders kan er geen water vanuit het Hollands diep naar de Grevelingen stromen. Er is geen sprake van doorspoeling, alleen verdringing van het zoute bodemwater in perioden van beschikbare aanvoer van zoet water.

In perioden van lage afvoeren c.q. droogte kan Schouwen-Duiveland een begrensd beroep doen op de buffer in het Grevelingenmeer. Nadat het minimum waterpeil van het meer bereikt is, kan men als de nood hoog is meer zoet water onttrekken zonder dat er zoetwater vanuit het Hollands Diep via het Volkerak-Zoommeer wordt aangevoerd, dankzij de geometrie van het meer. De locatie van de Brouwerssluis is bewust gekozen bij het diepste deel van de diepste geul. Men kan dan het minimum waterpeil handhaven door via de Brouwerssluis en het dichtheidsscherm water uit de voordelta tijdelijk in te laten. De zoute onderlaag groeit dan. Zodra de rivierafvoeren weer aantrekken kan de buffer weer op orde gebracht worden en de zoute onderlaag teruggedrongen. Het zorgt voor optimale flexibele benutting van het zoete water en maximaal gebruik van de berging. Het is tevens de snelste manier om het meer te ontzilten.

Een dichtheidsscherm is niet gratis, maar een fractie van de kosten van een gewenste 10x zo grote sluis in de Brouwersdam voor het zoute Grevelingenmeer, terwijl die sluis niet nodig is voor het beperkte, doch zo opgeblazen, waterkwaliteitsprobleem.

Voor de zoetwaterproblematiek van Schouwen-Duiveland in brede zin is dit zoete Grevelingenmeer de duurzame oplossing.

4. Het Volkerak-Zoommeer heeft een andere functie, maar kan lokaal zeker, maar begrensd, voorzien in zoetwateraanvoer, i.c. Tholen. Tholen kent geometrisch een schotelvorm. Het betekent soelaas vanuit de oostzijde van het eiland. De westzijde is gebaat bij het stimuleren van een zoetwatergradiënt op het Zijpe, Mastgat, Keeten. Het Volkerak-Zoommeer is ondiep en er is intensieve scheepvaart. Het versterkt de menging van de zoutlast op het meer en bepaalt de behoefte aan doorspoeling. Het verhogen van het peil wordt begrensd door de vaste bruggen, terwijl de Rijndoorvaarthoogte moet worden gegarandeerd. Dit beperkt de mogelijkheden voor buffering en zoetwatervoorziening vanuit het meer.

5. De zoutgebonden visserij betreft met name de oesterteelt. Door de luwte, die door de Deltawerken is ontstaan, kon deze een grote vlucht nemen op het meer. Natuurinstituties zien dat toch met lede ogen aan. Zij zien liever meer oppervlakte aan zeegras. Hoewel diep geworteld in de Zeeuwse samenleving, is het een (relatief) kleine bedrijfstak. In de keuze zout of zoet voor de voedselvoorziening van de mens staan de belangen van oesterteelt en landbouw tegenover elkaar. Is de oesterteelt zoveel belangrijker, dat de keuze voor een zoet meer niet opportuun is?

6. De natuur en het Grevelingenmeer. Het meer is in 1971 tot stand gekomen met de realisering van de Grevelingendam in 1965 en de voltooiing van de Brouwersdam in 1971. Het had op dat moment een zoutwatermilieu, maar de bedoeling was om tot een zoetwatermilieu te komen. Dit kunstmatige meer was zo volledig afgesloten voor de natuurelementen zee en rivier. Als zodanig staat het op zich en wordt het beïnvloed door de neerslag, de afwatering van de eilanden en uitwisseling door schutsluizen.

Van alle water op aarde is 97% zout en zoet oppervlaktewater maakt er slechts 0,008% (0,26% x 3%) van uit. Waarom zou er dan een absolute voorkeur moeten bestaan voor een zoutwatermilieu boven een zoetwatermilieu, dat langs natuurlijke weg gevoed wordt? Zeker waar dat nu (en) voor de toekomst essentieel is om zoet water te bergen en zo lang mogelijk vast te houden. Waarom houdt de zoutlobby zo krampachtig vast aan een kunstmatig zout meer en blaast het de natuurwaarde er van zo op? Zowel zoute als zoete watermilieus kennen grote soortenrijkdom.

Er is een overvloed aan zoutwatermilieus, niet uniek, en enorme schaarste aan zoetwatermilieus.

Inmiddels is in dit jonge eigenstandige zoute ecosysteem al drie keer ingegrepen door natuurbeheerders. Tot 1978 trad er een beperkte mate van verzoeting op. In 1978 werd de Brouwerssluis gerealiseerd. Deze is qua grootte en plaats ontworpen op de ontzilting met dichtheidsscherm van het meer, maar bleek tevens groot genoeg om een hoog zoutgehalte op het nog zoute meer te houden door getij invloed in het winter halfjaar. In 1999 werd besloten de sluis het gehele jaar geopend te houden. Het zorgde voor forse veranderingen met name in de fosfaat- en stikstofhuishouding. De samenstelling van het water in de Voordelta is in de winterperiode vrij stabiel, in de zomerperiode en vooral in de lente kunnen zich behoorlijke variaties voordoen in zoutgehalte, temperatuur en nutriënten. In de zomerperiode zorgt het water van de Voordelta voor een behoorlijke import aan stikstof op het meer. Zo ontwikkelde zich In deze eeuw in de zomermaanden een toenemende zuurstofloze onderlaag, die in de winterperiode weer werd opgeruimd. Het is integraal onderdeel van het ecosysteem, zoals dat nu is. Die zuurstofloze onderlaag is niet dood en heeft een eigen functie. Het bacterieleven zorgt voor een afbraak van de stikstof. Daardoor is het stikstofgehalte in het meer lager dan in de Voordelta en beperkt de algenbloei. Op het hoogtepunt kan deze zuurstofloze onderlaag zich tot zo’n 15% van de bodem ontwikkelen. (De inhoud ervan is qua % aanmerkelijk kleiner.) In 2013 werd het meer door Nederland aangemeld als Natura 2000-gebied met habitatdoelstellingen. Men wist dat het optreden van een zuurstofloze onderlaag een van de eigenschappen was van dit ecosysteem en daardoor mede beschermd werd. Het is volstrekt onduidelijk wat de beweegredenen van de natuurambtenaren waren om een 13 jaar jong onnatuurlijk meer zonder “bewezen natuur” aan te melden voor een bescherming van het hoogste niveau als van eminent Europees belang zijnde. De habitatdoelstellingen zijn wensen, die niet voortvloeien uit de ervaringen met dit ecosysteem. Bovendien zijn er habitatdoelstellingen, zoals trekvogels, die niet noodzakelijkerwijs betrekking hebben op dit zoute milieu. Het is evenwel duidelijk, dat deze aanmelding een zoet meer in de toekomst zou bemoeilijken. In 2017 zijn aan de doelstellingen nog een tweetal habitats betreffende zeehonden toegevoegd. Opvallend, want vanaf de start van de bouw van de Brouwersdam in 1961 tot 2000 zullen er geen zeehonden op het meer zijn voor gekomen. Nu worden er in de zomermaanden zeehonden waargenomen. Het gaat dan niet om de habitat zelf, maar om een logeerfunctie. De wensdoelstellingen worden zo steeds verder naar boven toe bijgesteld.

De gecommuniceerde opgelegde Natura 2000-doelstellingen trekvogels en zeehonden gaan niet over het zoutwatermilieu zelf.

Het jaarlijks periodiek voorkomen van een zuurstofloze onderlaag wordt, ondanks de beschermde status, gevoeld als een waterkwaliteitsprobleem. In de kaderrichtlijn water is als doelstelling opgenomen, dat de zuurstofloze onderlaag niet meer dan 5% van de bodemoppervlakte mag beslaan. Heeft de KWR de status om Natura-2000 te overrulen? Evenwel is hier eenvoudig aan te voldoen. Een terugkeer naar alleen de winteropening. Toen bestond deze steen des aanstoots niet.

Merkwaardigerwijs wordt dit in de publiciteit tot buitensporige proporties opgeblazen, terwijl het toch beperkt is in tijd, plaats en omvang. Grote woorden als dat het “een dood en getijloos meer zou zijn, dat gereanimeerd moet worden”. Er zou weer getij op het Grevelingenmeer moeten komen. (Het was er toch al?) Men zou daarom een 10x zo grote sluis bij de Hompelgeul moeten maken. Het meer zou dan weer van zuurstof worden voorzien. Wat een onzin! Zo werkt het niet. Het gaat hier kennelijk niet om het geïntroduceerde waterkwaliteitsprobleem, dat ten onrechte gebruikt wordt om zo’n grote sluis te mogen realiseren, maar om aanvullende wensen van biologen. Nu is er een nauwelijks zichtbaar getijverschil van een paar cm. Met die nieuwe sluis komt er ca. 30 cm tijverschil* (oorspronkelijke tijverschil tussen 2,5 en 3m). Zo groot als tussen de toppen van mijn vingers en mijn elleboog. Zo wordt een smalle strook intergetijden gebied gecreëerd als extra foerageergebied voor (trek)vogels.

* Het zichtbare tijverschil wordt door de getijgolf veroorzaakt, maar zegt niets over de stroming.

Een gigantisch kostbare operatie met fundamentele nadelen**. En voor wat? Het is onnodig optuigen. Wederom wordt er dan voor de 4e keer wezenlijk ingegrepen in het “beschermde” ecosysteem van het meer (Natura 2000). Of gaat het om de luimen van biologen?

** Zoals: de sluis zorgt voor aantasting van de primaire waterkering enen de opbouw van het kustfundament tegen de dam met zijn belangrijke ecologische functie; de 30 cm zone is niet klimaatbestendig te handhaven en het beheer er van zal de sluis geregeld doen sluiten bij sterke noordwesten wind.

Het waterkwaliteitsprobleem is zelfs zo klein, dat men de huidige situatie kan handhaven en periodiek hooguit een drietal pompen voor verticale circulatie kan laten werken bij Den Osse, bij Scharendijke en in het Springersdiep voor Goedereede (zie Rydberg en Lases, 2019).

De door biologen zo gewenste nieuwe sluis in de Brouwersdam is volstrekt onnodig voor het waterkwaliteitsprobleem en op zijn zachtst gezegd is er gerede twijfel of deze een positieve bijdrage kan leveren voor het probleem. Weggegooid geld!

Gerede twijfel bij de werking. De gebruikte berekeningsmethode bij de projectontwikkeling is niet geschikt voor deze problematiek. De extra beschikbare getijdenenergie door deze sluis laat zich niet zo maar over het meer verdelen, want het zegt immers niets over wat er in het meer gebeurt. Beschikbare gegevens uit de huidige situatie zijn voor dat model niet bruikbaar, omdat de sluis op een onvergelijkbare geometrische en voor het doel onlogische plaats is gepland. Bij vloed komt uit de sluis een sterke stroming het meer op. Deze vertraagt in het gebied direct achter de sluis door menging met het rustige water op het meer in de bovenlaag tot een bepaalde diepte. Daar vindt de “beluchting” plaats. Hier vindt het grootste deel van verlies aan de getijdenenergie plaats en bereikt de diepste lagen niet. Het inkomende water drukt verder als golf het water in het meer op naar de Grevelingendam. De waterbeweging in het meer wordt verder veroorzaakt door verschillen in dichtheid door temperatuur en zoutgehalte. Het zorgt voor de nutriënten verdeling en heeft zo invloed op de primaire productie van algen en de zuurstofvraag. De 10x zo grote sluis zorgt voor een ca. 5x zo grote stikstofbelasting op het meer en kan van negatieve invloed zijn op het waterkwaliteitsprobleem”. Enerzijds is de sluis onnodig, anderzijds is een positieve werking uiterst onzeker.

Het is helemaal weggegooid geld, als men zover is om er toch een zoet meer van te maken. Voorkom dus de realisatie van deze sluis.

7. Toekomstige veranderingen in waterbeleid van Ooster- en Westerschelde.

7.1. Oosterschelde. (zie voordracht F.Spaargaren bij De Levende Delta.) De kunstwerken, stormvloedkering Maassluis, de Haringvlietsluizen, de Oosterscheldekering raken aan het einde van hun levensduur. Vóór 2050 moeten we weten en gesteld zijn, wat we met deze kunstwerken willen, Dat proces moet nu opgestart worden. Wat willen we als de Oosterscheldekering niet meer (goed) kan functioneren? De Oosterscheldekering definitief dicht zetten en in de dam opnemen of verwijderen en alle zeedijken gaan verhogen en verbreden om de versneld stijgende zeespiegel na 2050 met de stormvloeden te kunnen weerstaan? Nu is die tweede mogelijkheid schier onbetaalbaar, kost heel veel grond, zo sterk als de zwakste schakel in die ‘honderden’ km’s inclusief Keeten, Mastgat, Zijpe. (Het is schier onmogelijk om steeds op te schalen vanwege klimaatontwikkeling.) Dat zal allereerst leiden tot verdere compartimentering, zoals een primaire dam in de Keeten (Stavenisse-Ouwerkerk) en een primaire dam van b.v. de westpunt van Tholen naar Kattendijke met verzoeting van die wateren. De eerste mogelijkheid kan ook om praktische reden verder leiden tot een secundaire dam Stavenisse-Ouwerkerk met verzoeting van het geheel.

7.2. Westerschelde. Minimaal is voor de veiligheid een stormvloedkering in de monding van de Westerschelde met afwikkeling van de diepstekende schepen op de Vlakte van de Raan onontkoombaar. De zoutindringing op de Zeeschelde wordt teruggedrongen en het zoutgehalte op de Westerschelde wordt met name in het oostelijk deel verlaagd. Beter is een volledige dam met sluizen, maar dat zal een brug te ver zijn. Zeeschelde en Westerschelde zullen verzoeten. De haven van Antwerpen zal dat zo lang mogelijk afhouden, de stad Antwerpen heeft er echter alle belang bij om dat snel te realiseren. Immers bij Antwerpen slingert het getij maximaal op en ook de stormvloeden lopen daarenboven sterk op door de toenemende vernauwing van de Zeeschelde. Jammer, dat in de VNSC de Haven van Antwerpen allesbepalend is en dat de natuurorganisaties uit die hand eten voor de steun en mogelijkheden, die de haven biedt om compensatie te vinden op het land en niet in de Westerschelde zelf, waar het thuis hoort. Zo kijken de natuurorganisaties vanwege eigen belang weg van de verdere achteruitgang van de Westerschelde en kan dit ondermijnende gedrag door gaan. Het is de hoogste tijd dat die verdere aanpassingswerken in de Westerschelde qua verdieping en verruiming gestopt worden. Stormvloedkering en dam met sluizen zijn niet in strijd met het internationaal recht van vrije vaart.

Slot. Er zal hoe dan ook en snel naar een gesloten kustlijn toegewerkt moeten worden. Almaar dijkverhogingen over honderden kilometers heeft geen toekomst.

Wil Lases

N.B. Hieronder het zichtbare gevolg voor de dijken door eeuwen van toename van het getij en de uitschuring van de zeegeulen. Het hangt ons bij een beleid van dijkverzwaringen ook boven het hoofd.

Een impressie van de dijkontwikkeling in de omgeving van Breskens.


 

DE OMMEKEER NAAR ZOETWATERBEHEER

 


| 24-12-2020 |

 

Het gemiddelde zoetwaterverbruik van een Nederlander is 2,3 miljoen liter per jaar en ligt voor    89 % in het buitenland, ook landen met waterschaarste (bron: A. Hoekstra, National Geographic, 2010). Dit laatste gaat over water benodigd voor importproducten als koffie, kleding, cacao, etc. Het water dat we hier ter plekke verbruiken is vergelijkbaar met zo’n 16 à 17 % van de jaarlijkse neerslag. De hoeveelheid rivierwateraanvoer is daarvan nog eens het dubbele. We krijgen zo een overvloed aan zoet water, in de orde van zo’n 300 miljoen m3 per dag, waarvan we 5 à 6 %  gebruiken. Het meeste zoete water passeert Nederland ongebruikt en een tijdelijk teveel aan neerslag wordt doorgaans vlot afgevoerd. Spaarzaam en circulair omgaan met zoet water is een goede zaak, maar het is overduidelijk dat voor Nederland bij waterschaarste de structurele oplossing ligt in het vasthouden van zoet water.

Ondoordachte keuzes
Tijdens en na de Deltawerken werden de Zeeuwse wateren op initiatief van een behoudende natuurbeweging zouter dan ooit. De natuurwaarden zakten verder weg en er ontstonden nijpende zoetwatertekorten. Het grondwater van de eilanden verzilt inmiddels sterk en de zoetwatervoorraad Volkerak-Zoommeer heeft last van zoute kwel vanuit de aangrenzende zoute wateren. Wat vinden we met de kennis van nu van de gemaakte keuzes voor grootschalige lozing van zoet water in zee, voor zoute meren en open zeegaten, voor grondwateronttrekking en belemmering van herstel? Zie en beluister hiervoor de Nieuwsuurrapportage van 30-9-2020 ‘De verdroging van Nederland is vooral een keuze’ en van reporter-radio. Nu de verwachte zeespiegelstijging een bedreiging vormt voor de waterveiligheid en de zoetwatervoorziening, wordt het tijd de ontstane achterstand weg te werken door opnieuw te kiezen voor de klimaatbestendige doelen van het oorspronkelijke Deltaplan: kustverkorting en zoete meren.

Het zoete zuidwesten
Bij water hangt alles met alles samen. De waterhuishouding van de Zeeuwse eilanden en de tussenliggende wateren is niet te scheiden en ook de gebieden Rijnmond-Drechtsteden en Zuidwestelijke Delta vormen één geheel. Door tegenstrijdig beheer ontstonden zoute en zoete locaties, met en zonder getijde. Het werd een kunstmatige en benauwende fragmentatie van ‘samenhang op bekkenniveau’. Locale keuzes zorgden decennia lang voor toenemende problemen. Door het jaar heen voeren de rivieren nog altijd dezelfde hoeveelheden zoet water aan als voor de Deltawerken. Het overschot is meer dan voldoende om de voormalige zeegaten te verzoeten en te verversen. In verreweg het overgrote deel van het jaar wordt nu het teveel aan zoet water via het Haringvliet afgevoerd. In beginsel is dat beschikbaar voor een zoet Grevelingenmeer en een Oosterscheldebekken zonder te hoeven tornen aan de huidige verdelingsafspraken voor zoet water.

 

Zeewaartse verzoeting, uitbreiding noodberging en bescherming Zuidwest Nederland

De spuisluizen Volkerak zijn aangelegd om Krammer-Volkerak, Grevelingen en Oosterschelde zoet te maken. Ze liggen al klaar om overtollig rivierwater uit Rijn/Maasmond af te laten stromen naar Zeeland. Deze plannen, indertijd onderzocht en uitgewerkt in het Deltaplan, zijn vergeleken met de lopende projecten goedkoper en bovendien effectief. Voormalige zeegaten kunnen in enkele maanden verzoeten door het bij hoge rivierafvoeren binnenlaten van zoet water en het gelijktijdig uithevelen van de zware zoute onderlaag. Het perspectief van een enorm zoetwaterreservoir is zeer aantrekkelijk voor landbouw, waterafhankelijke sectoren  en leefbaarheid. Het gaat er om het grootste en bovenste deel van de wateren gegarandeerd zoet te houden, zodat Zeeland er in droge zomers naar behoefte vrij uit kan tappen.

Noodberging
Door het waterbergende oppervlak van het Haringvliet aan te vullen met de voormalige zeegaten vermindert de stijgsnelheid bij noodberging van rivierwater naar schatting met 1/6 deel. Met een bekken in zee erbij, afhankelijk van de grootte tot wellicht 1/10 deel. Oppervlakvergroting geeft een sterke toename van de rivierwaterveiligheid.

Evoluerende natuur
In een veranderende Delta past de natuur zich continue aan. Behoudende natuurdoelstellingen zijn er onmogelijk en onwenselijk, zeker wanneer we streven naar zeewaarts gelegen zoet-zoutovergangen en er vervolgens maatregelen genomen worden voor klimaatbestendigheid. Dit betekent dat we afstand zullen moeten nemen van de Rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer en dat de onlangs gepresenteerde Gebiedsagenda Zuidwestelijke Delta 2050 al aan herziening toe is. Jammer van de inspanningen, maar gelukkig is wijziging slechts papierwerk.

De toegenomen urgentie noodzaakt om lopend en nieuw beleid te ijken aan de lange termijn.

Zeesluizen voor de Nieuwe Waterweg
In de vijftiger jaren wilde Rotterdam haar havens uitbreiden. Het standpunt van  Rijkswaterstaat was dat dit prima was. Maar dan wel achter sluizen! Rotterdam kreeg echter haar zin. Een open gebleven Nieuwe Waterweg maakt dat al generaties lang bij elke verbreding en verdieping het zoetwaterverlies en de zoutindring toeneemt. Dit houdt de landelijke zoetwaterverdeling in een knellende greep. Zeesluizen voor de Nieuwe Waterweg kunnen dit stoppen. Het vrijkomende zoete water maakt een herijking van de landelijke zoetwaterverdeling mogelijk en kan vervolgens gebruikt worden voor de meeste wateropgaven. Dit is door diverse partijen meermalen benadrukt, echter nog altijd zonder tastbaar resultaat. Zeesluizen voor de Nieuwe Waterweg (Plan Spaargaren) vormen de sleutel tot een klimaatbestendig land en bieden zowel zeewaterveiligheid als rivierwaterveiligheid. Ze sluiten namelijk de kust van het Rijnmond-Drechtstedengebied en verplaatsen het kantelpunt zee en rivieren naar het zuidwesten, dat een groter en uitbreidbaar vermogen biedt voor tijdelijke berging van rivierwater.  Daarnaast stoppen ze het grootschalige zoetwaterverlies en gaan verzilting tegen. Het vrijkomende zoete water kan gebruikt worden voor verversing, voorraadvorming en doorstroming voor gezonde milieus. Tenslotte bevorderen sluizen de beheersbaarheid van de rivierwaterstanden en leiden ze met een herziene zoetwaterverdeling tevens de sedimentstroming naar het zuidwesten. Jaarlijks bezinkt nog altijd zo’n 3 miljoen m3 slib in het Rijnmondgebied. Met zeesluizen kunnen de waterveiligheid en leefbaarheid duurzaam gegarandeerd worden, evenals de toekomstige concurrentiepositie van Rotterdam als wereldhaven. De vermindering van opslag van fossiele brandstof en de toename van woningbouw rond de stadshavens sluiten hierbij aan. Aangezien deze maatregel probleemoplossend en kosteneffectief bijdraagt aan vrijwel alle wateropgaven kan deze beter zo ver mogelijk naar voor worden geschoven.

Blijf de veranderingen voor
Voorkomen is beter dan genezen. Hoe eerder men zich richt op de realisatie van de huidige wateropgaven, des te eerder zal men de vruchten ervan plukken. Vervolgens kan het Deltaprogramma zich gaan richten op een overkoepelend plan dat de processen klimaatverandering en zeespiegelstijging ruim voor moet blijven. Hoog tijd voor een nieuw waterbeleid dat start met het vasthouden van zoet water. Wie neemt het initiatief, wie gaat het betalen en wanneer is het gereed?

Wil Borm

Adviesgroep Borm & Huijgens


 

VERZOETING GREVELINGENMEER (TOELICHTING)

 


| 01-10-2020 |

 

Aan de Commissie Ruimte van de Staten van Zeeland

Onderwerp: Verzoeting Grevelingenmeer

Etten-Leur, 1 oktober 2020

 

Geachte leden van de Commissie Ruimte,

 

Met betrekking tot agendapunt 7 van uw vergadering van 9 oktober a.s. en in aansluiting op onze onder dat punt ingebrachte mail van 14 augustus (zie link)willen wij met dit schrijven een aanvullende toelichting geven op ons advies om een verzoeting van het Grevelingenmeer te overwegen.

De reden voor dit advies is dat de reeds geplande openingen in de Brouwersdam niet voldoen aan het beoogde doel van menging van het water van het Grevelingenmeer. Daarnaast zijn gevaarlijke stromingen, zoals die ontstaan bij het bedachte doorlaatmiddel met forse in- en uitstroming aan beide zijden van de dam met zijn recreatie, ongewenst. Vervolgens wordt het bij die ingreep door zeespiegelstijging deze eeuw al noodzakelijk om het bij vloed binnengestroomde water bij eb dagelijks naar zee te pompen. Tijdsdruk door klimaatverandering maakt dat er geen marge is voor kostbare projecten die geen wezenlijke bijdrage leveren en voor experimenten waarbij samenhang met het landelijk waterbeheer ontbreekt. Voor de provincie Zeeland is het van groot belang om middels constructief overleg spoedig te komen tot effectieve maatregelen tegen de dreigende zoetwaterproblemen.

Verzoeting De bij het Deltaplan beloofde zoete Zeeuwse meren werden niet gerealiseerd. Vanwege het sterk vervuilde Rijnwater werd indertijd de verzoeting van de Grevelingen uitgesteld. Vervolgens bleef Zeeland een halve eeuw verstoken van de aanvoer van zoet rivierwater. In deze periode is de totale jaarlijkse hoeveelheid rivierwateraanvoer naar Nederland gelijk gebleven. Al is de aanvoer door het jaar heen sterker gaan fluctueren, er is en blijft voldoende zoet water beschikbaar voor flexibele verzoeting, aanvulling en verversing van het Grevelingenmeer. Dit door het inlaten van zoet rivierwater en het naar zee hevelen van de zoute en/of zuurstofloze onderlaag. De kwaliteit van het rivierwater is inmiddels verbeterd en door een grote en toenemende behoefte aan zoet water in het zuidwesten komt verzoeting weer in beeld.

Voor verzoeting van het Grevelingenmeer is zowel een inlaat van zoet water vanaf de Noorder Krammer nodig als een hevelconstructie naar de in zee afwaterende Brouwerssluis. De hoogteligging van de drempel van de opening van deze hevelconstructie op de bodem van het Brouwershavens Gat bepaalt de diepte tot waar men kan ontzilten. In de diepere delen blijven zoute restanten achter. Extra zoute kwel via de bodem en door het grondwater van de eilanden dat langzaam ontzilt, wordt naar zee afgevoerd. Het resterend zoute water op de bodem van de diepste delen vormt geen bedreiging (in Zeeland is het grondwater in de ondergrond eveneens zout). Het gaat er om het leeuwendeel van het meer gegarandeerd zoet te houden, zodat de omringende eilanden het gehele jaar rond zoet water naar behoefte aan het meer kunnen onttrekken. Bij zeer geringe aanvoer van zoet water in combinatie met een extreem droge zomer, is het mogelijk om met dezelfde hevelconstructie, tijdelijk een zoute onderlaag vanuit zee binnen te laten om het meer op peil te houden. Dit water kan, zodra er voldoende aanvoer is van rivierwater, terug naar zee geheveld worden.

Recreatie De recreatie is gebaat bij helder water, een rijke en gezonde natuur en de mogelijkheid om ongehinderd rond te kunnen varen naar de diverse wateren. Met de verzoeting kan de compartimentering worden doorbroken, het water ververst en nutriënten aangevoerd. Voor de onderwatersport staat het ontbreken van getij garant voor helder doorzicht, waarbij bovendien zwevend slib boven de bodem door de hevelwerking van de kokersluis naar zee wordt afgevoerd.

Visserij
De visserij is gebaat bij een rijke vispopulatie en een gezond milieu. Wie zich de overvloed aan vis van voor de Deltawerken nog herinnert, weet dat doorstroming gunstig is. Daarbij bestaat er geen voorkeur voor zoet of zout. De huidige zoute situatie voldoet niet en verdere verzilting lijkt ons dan ook geen bijdrage te leveren aan de visstand. Wat wel werkt is doorstroming met zoet water.

Schelpdiersector
Niet de zoute wateren, maar de estuariene overgangen van zoet naar zout met nutriëntenaanvoer waren de dragers van de schelpdierteelt. De mosselteelt vindt momenteel vrijwel geheel in het buitenland plaats, waarna de mosselen hier verwateren en als Zeeuwse mosselen op de markt komen. De oesterteelt zit in de problemen door natuurlijke vijanden (o.a. herpesvirus en oesterboorder) en men teelt daarom in de Oosterschelde op zeer arbeidsintensieve getijdentafels. Dat lijkt in de Grevelingen onmogelijk.

Landbouw, industrie en leefbaarheid
Er is in Zeeland al decennia lang sprake van voortgaande verzilting van water en land, aangezien het waterbeheer van beide nu eenmaal niet te scheiden is. Duurzame zoetwatervoorziening is voor de bovengenoemde sectoren van levensbelang. Talloze berichten over toenemende zoetwatertekorten luiden de noodklok. Dat watermanagers het steeds benauwder krijgen maakt bijgaand artikel wel duidelijk. Blijkbaar moet het water eerst aan de lippen staan voor ze de benodigde maatregelen kunnen en mogen nemen. Dit geeft de volgende zin aan: “Vooralsnog denken de watermanagers in Nederland de komende decennia voor voldoende zoet water te kunnen zorgen. Pas later komt de vraag aan de orde of er misschien grootse, dure maatregelen nodig zijn, zoals het afsluiten van nog meer zeearmen.”

Waterveiligheid
De ‘nationale noodberging’ Volkerak-Zoommeer (224 km2), bedoeld om bij het samenvallen van hoge rivieraanvoeren en een hoog zeepeil het rivierwater tijdelijk te kunnen bergen, is onvoldoende. Aanvulling met de bergingscapaciteit van het Grevelingenmeer (385 km2) is gewenst. Op langere termijn zullen meer zeegaten toegevoegd moeten worden voor de waterveiligheid met mogelijk ook een bekken in zee. Het Grevelingenmeer kan als eerste inzetbaar worden, zodra het milieu is verzoet. Naast deze rivierwaterveiligheid, baart ook de zeewaterveiligheid zorgen. Bij 1 meter zeespiegelstijging voldoen de meeste deltawerken (waaronder Oosterscheldekering, Haringvlietsluizen en Maeslantkering) niet meer. De Brouwersdam is echter voor de komende eeuw een klimaatbestendige dijk.

Natuur
Mobiele zoutminnende organismen kunnen bij verzoeting dagelijks het meer verlaten naar zee. Andersom krijgen vissen vanuit zee tijdens het hevelen de kans stroomopwaarts het meer bereiken. Een zeer algemeen zout milieu maakt door ontzilting plaats voor een mondiaal uiterst zeldzaam zoetwatermilieu. De natuur krijgt bij dit alles de kans om mee te liften met deze en nog komende veranderingen.

Klimaatbestendigheid
In de afgelopen eeuw is de gemiddelde temperatuur op aarde met ruim 1 graad toegenomen. Dit heeft direct invloed op het klimaat (weersextremen) en veroorzaakt een zeespiegelstijging van 0,8 tot 1,0 m aan het eind van deze eeuw tot 5 m of meer binnen enkele eeuwen. Willen we niet desinvesteren, dan dienen de maatregelen die we nu nemen afgestemd te zijn op de langere termijn. Van de vier strategieën uit het rapport ‘Strategieën voor adaptatie aan hoge en versnelde zeespiegelstijging’ (Deltares, september 2019), richten de drie globale toekomstbeelden die uitgaan van een behoud van Zeeland zich als vanzelfsprekend op zeewaartse verzoeting van de Zeeuwse wateren.

We raden u dan ook aan om af te zien van de vigerende plannen voor de Grevelingen en met de kennis van nu de verzoeting van het meer in beraad te nemen. Tot slot wensen we u alle voortgang met het traject naar een klimaatbestendige provincie.

Met vriendelijke groet, W. (Wil) Borm Adviesgroep Borm & Huijgens – integraal waterbeheer
T 076-5037411
E [email protected]
W www.adviesgroepbormenhuijgens.nl

Deelnemer aan het Kennisprogramma Zeespiegelstijging


 

VERZOETING GREVELINGENMEER

 


| 30-09-2020 |

 

Voor de Deltacommissie was een schatting van de ontziltingsduur van het meer gemaakt. Uitgegaan werd van volledige menging van het meer, gedurende de ontziltingsperiode; de toen beschikbare methodiek. Men realiseerde zich heel wel dat de werkelijkheid anders zou zijn en dat er zich bij het ontzilten verschillen in zoutgehalten voordoen. Ook na de ontzilting komt dat nog in het diepste gedeelte voor. Tevens was men op de hoogte van thermische gelaagdheid in de zomer in diepe meren.

Begin zeventiger jaren werd daarom onderzoek gedaan naar de beste wijze van ontzilten van het Grevelingenmeer.

De opdracht was een effectieve methode te vinden om het meer te ontzilten, waarbij massale sterfte van organismen in de overgangsperiode zo veel mogelijk beperkt blijft. De oplossing  bleek relatief eenvoudig door gebruik te maken van het verschil in gewicht van zoet (licht) en zout (zwaar) water.

Het is de kunst om bij eb het diepere en meest zoute water uit het meer naar zee af te voeren. De uitwateringssluis, de huidige Brouwerssluis, moest daarvoor op de meest strategische locatie in de Brouwersdam komen en dat is in het verlengde van het Brouwershavens Gat. Het was  echter te kostbaar om de sluis op grote diepte aan te brengen. De sluisbodem ligt op N.A.P. -11m.

Voor verzoeting moest er daarom een hulpconstructie komen om het diepere water af te voeren, zoals een  dichtheidsscherm, dat werkt als een “stofzuiger”. De breedte van de “spleet” onder dat scherm was afgestemd op de breedte van de sluis. De hoogte van de “spleet” werd berekend voor optimale aanstroming en doorvoer door de spleetopening (ca. 3m). De hoogteligging van de ingang bij de bodem van het Brouwershavense Gat, die leidt naar de kokersluis, bepaalt de diepte tot waar men wenst te ontzilten. Zo hoeft de verzoeting maar enkele maanden te duren. De beste periode is dan het voorjaar met zijn hoge afvoeren, maar ook omdat in die periode nog geen zuurstoftekort aan de bodem voorkomt. (N.B. Uiteraard kan om beleidstechnische redenen een langere periode worden aangehouden.)

principe ontzilting afgedamd zeegat

In de diepste delen zullen altijd zoute restanten achterblijven, die ook nog gevoed worden door zoute kwel via de bodem en door het grondwater van de eilanden dat heel langzaam ontzilt.

Dat is op zich geen bezwaar.  Het doel is om vrijwel het gehele meer te verzoeten en zoet te houden, zodat  Zeeland er in een droge zomer naar behoefte zoet water aan het meer kan onttrekken. Een situatie die gunstig is voor het waterbeheer van de eilanden en diverse sectoren. Daarbij is het mogelijk om bewust een zoute onderlaag vanuit zee tijdelijk toe te laten om het meer op peil te houden. Dit water kan, zodra er voldoende aanvoer is van rivierwater, weer naar zee geheveld worden.

Vanwege het sterk vervuilde Rijnwater werd de verzoeting indertijd uitgesteld. De kwaliteit van het rivierwater is sterk verbeterd en door een grote en toenemende behoefte aan zoet water  in het zuidwesten komt verzoeting weer in beeld.

Natuur.

Mobiele zoutminnende organismen krijgen de kans om het meer naar zee te verlaten. Andersom kunnen tijdens het hevelen, gedurende eb, vissen vanuit zee stroomopwaarts het meer bereiken. Een zeer algemeen zou milieu gaat plaats maken voor het mondiale zo zeldzame zoetwatermilieu. De natuur krijgt bij dit alles de kans om mee te liften met deze en nog komende veranderingen

Constructieve uitdagingen.

Het dichtheidsscherm is een forse constructie, vanwege de geometrie van het meer. Het beschikt over gesloten zijkanten met op de kop een scherm met een opening aan de onderzijde. Het steekt een stuk het meer in. De bovenstaande schets is het ideale plaatje. Het principe van de opening aan de bodem is eenvoudig en logisch, maar als constructieve opgave kent het zijn eigen uitdagingen. Het voordeel is dat hier geen belemmeringen liggen in de vorm van bestaande constructies, zoals dat wel het geval is bij b.v. de constructieve opgave voor de beoogde nieuwe sluis in de Brouwersdam, waar voor de dam caissons zijn gebruikt. Er zijn diverse constructieve uitwerkingen mogelijk.

De omvang van de constructie wordt mede bepaald door een kosten baten analyse. Oftewel de kosten in relatie tot het effect dat bereikt wordt met de diepte waarop de drempel van de opening komt te liggen, de ontziltingsdiepte. Er blijft een restdiepte over, waar zout(er) water blijft staan. Hoe dieper die drempel ligt hoe minder volume c.q. oppervlakte aan zoute onderlaag overblijft. Bij ontzilting beneden NAP-20m blijft een zoute onderlaag (nagenoeg, op een klein plukje in het Springersdiep onder Oudorp na.) beperkt tot de diepste putten bij Scharendijke en Den Osse in de zuidelijke geul; beneden NAP-30m blijft nagenoeg geen restdiepte over. Tussen scherm en putten wordt een geul op die diepte gebaggerd. Het zoute water in de restantdiepte kan zo gewenst door middel van een pomp op de paar diepste punten opgemengd worden.

N.B. Ontzilting zonder dichtheidsscherm is veel minder effectief en duurt aanmerkelijk langer. Onder de zoete bovenlaag zal er dan altijd een gelaagdheid zijn van verschillende zoutgehaltes. Hoe dan ook zal ook dat voor een belangrijke verlichting van de verzilting van het grondwater op de eilanden zorgen.

 

Ir. W.B.P.M. Lases.


 

EEN ZOET OF ZOUT GREVELINGENMEER XI

 


| 14-09-2020 |

 

Bewustwording en conclusies :

In het kader van klimaatverandering en zeespiegelstijging  is het dringend gewenst om zoet water zo lang mogelijk vast te houden en om de zoutwatergrens zo dicht mogelijk bij de kust te brengen. De verzilting van het land wordt zo maximaal tegengegaan. De verdroging neemt steeds verder toe en zo ook de piekbehoefte aan zoet water. Er is een grote inhaalslag te behalen in het zoetwaterbeleid en de klimaatbestendigheid van Zeeland  door het Grevelingenmeer zoet te maken, wat ook de oorspronkelijke bedoeling van dit meer is.

Na de ramp van 1953 besefte men hoe naast waterveiligheid de zoetwatervoorziening  essentieel is voor onze toekomst. Dat vertaalde zich in het authentieke Deltaplan met de afsluiting van zeegaten en de aanleg van zoete Zeeuwse meren.

Het besef van deze noodzaak raakte in de zeventiger jaren op de achtergrond  en onder invloed van een behoudende milieubeweging is te snel besloten om de Oosterschelde onder nieuwe omstandigheden puur zout te houden, evenals de toen reeds afgesloten wateren, waaronder de Grevelingen en het Veerse Meer. De Westerschelde is en wordt uitgebreid met zout watermilieu ten koste van zoet landmilieu.

Na een halve eeuw verziltingbeleid heeft de natuur zich niet naar wens ontwikkeld en zijn de  Zeeuwse wateren extreem verzilt. Het veroorzaakt een steeds grotere verzilting van het grondwater, die nog generaties doorzet. De uit dit verziltingbeleid voortvloeiende rapporten, zoals  het Uitvoeringsprogramma ZWD en de Rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak –Zoommeer, leidden tot plannen, die zo de problemen voor mens en natuur vergroten. Bij de Grevelingen blijken bovendien de voorgestelde investeringen in maatregelen door middel van een nieuwe grote opening in de Brouwersdam niet bij te dragen aan de beoogde menging van het water.

De gevolgen van verzouten worden steeds meer zichtbaar. De zoetwatervoorziening komt steeds verder in de knel en de verzilting gaat door. Met de startnota Zeeuwse Deltaplan Zoet Water geeft de provincie aan dit te onderkennen, maar ze zal het met alleen symptoombestrijding op het land niet kunnen redden, maar denkt toch met het verziltingbeleid door te kunnen gaan. De voorgestelde kunstmatige aanvoer van zoet water is heel begrensd, lokaal en van beperkte duur. Dit in tegenstelling tot natuurlijke rivieraanvoer. Bestrijding van de oorzaak, het te hoge zoutgehalte van de wateren, zou voorop moeten staan. In Zeeland, waar water en land elkaar afwisselen, is het waterbeheer van beide niet te scheiden.

Juist nu is het van groot belang dat het provinciebestuur de principiële kwestie van een zoet Grevelingenmeer op de agenda plaatst en er uitgebreid de tijd neemt, om vervolgens fundamentele beslissingen van algemeen belang voor de verdere toekomst te nemen.

Van alle water op aarde is 97% zout. Zoet oppervlakte water is uiterst schaars, minder dan een tienduizendste van al het water. Van dit schaarse en kostbare water stoomt er relatief veel door Nederland, een land met een waterhuishouding die er nog altijd niet in slaagt om voldoende zoet water vast te houden. Het meeste stroomt ongebruikt naar zee. Eind 2021 moeten alle EU-lidstaten hun nationale stroomgebiedbeheerplannen voor de laatste periode van de Kaderrichtlijn Water-0peratie (2022-2027) bij Brussel indienen. Het is nu moment om bij te sturen.

 

Ir. W.B.P.M. Lases.