OVER WATER – 143: 1e CONGRES HITTESTRESS

 

| 29-06-2018 | 11.00 uur |


 

OVER WATER – 143: 1e CONGRES HITTESTRESS

 

Jarenlang leken al mijn betogen en artikelen over hittestress geroep in een volstrekt lege woestijn. In Over Water 141 vermeldde ik al dat in het praktijkseminar “de implementatie van klimaatadaptatie in steden en regio’s” op de WUR campus te Wageningen één van de sprekers ook ‘sterfte’ als één van de gevolgen van hittestress noemde. Op 25 juni was er het 1e congres Hittestress in Den Bosch met als dagvoorzitter Helga van Leur en als sprekers:

 – Cora van Nieuwenhuizen, de minister van infrastructuur en waterstaat, die vertelde over de nationale aanpak van klimaatadaptatievraagstukken

–  Jan Terlouw, die inspirerend sprak over de opwarming van de aarde en de rol van de mensheid daarin en, mits wij mensen samen zouden werken, optimistisch was over de mogelijkheden tot aanpak van de problematiek

– Gerard van der Steenhoven, de hoofddirecteur van het KNMI die, net als de minister, hittestress een sluipmoordenaar noemde.

Het is helder: ik ben geen roepende in de woestijn meer als ik over de oversterfte praat die hittestress veroorzaakt. Hittestress is dodelijk. De minister kwantificeerde het zelfs door te vermelden dat de hittegolf in 2003 zelfs een oversterfte veroorzaakte van 12%, 1400 extra doden.

Dit 1e Hittestress congres is beoogd agenderend te zijn, zo vertelde de dagvoorzitter. Ik denk dat het met deze sprekers ook agenderend kan zijn. Hoewel ik graag zou zien dat niet alleen de hittegolf van 2003 gememoreerd wordt, maar dat ook de hittegolf van 1976, die bijna een zomer duurde, in het vervolg gememoreerd zal worden. Een zomer die in West-Europa zorgde voor een enorme oversterfte, een forse daling van de productiviteit, een verdubbeling van de prijzen van vers voedsel, meer bedrijfsongevallen, ernstige problemen met het transport over water en als gevolg daarvan bedrijfssluitingen. Een studie naar die zomer kan de bestuurlijke geesten rijp maken voor een voortvarende aanpak van hittestress. Geïnteresseerd in die zomer? Kijk dan eens naar het filmpje:  “De hondsdagen van 1976”.

Ik werd getroffen door het besef dat de dromen en doelstellingen van mensen zo enorm kunnen veranderen. Toen ik geboren werd was de verwachting van mensen in mijn omgeving dat hun kinderen het beter zouden krijgen dan zij. Ze dachten oprecht dat zij de wereld beter zouden achter laten dan toen zij geboren werden. Toen kwam Brundtland (1987) en werd het begrip duurzaam de wereld in geslingerd (we zouden de wereld niet slechter achterlaten, dan we die wereld hadden aangetroffen). Helga van Leur formuleerde het tijdens het congres zo: “de jeugd heeft recht op een wereld die zich kan herstellen”. Enerzijds misschien al een hoge ambitie, anderzijds lijken die woorden ook een (tijdelijke) acceptatie in te houden van de huidige verslechtering van de situatie.

Jan Terlouw zei dat de biodiversiteit nog slechts 15 % is van wat die in 1900 was. Ik weet niet of hij gelijk heeft, maar zelfs als de verslechtering maar de helft daar van is kunnen we dat, in ons leven, niet accepteren. Natuurlijk wil ik bij mijn verscheiden een wereld achter laten die zich kan herstellen. Maar nog meer hebben wij (mijn generatie) de plicht daar nu een bijdrage aan te leveren. Jan Terlouw zei aan het einde van zijn verhaal dat hij hoopte dat er geen ramp hoeft te gebeuren om het bewustzijn tot noodzakelijke verandering te doen ontwaken. Hij riep op tot samenwerking.

Het viel mij op dat veel bezoekers aan dit congres een GGD achtergrond hadden. Klaarblijkelijk is in die kringen de effecten van hittestress op de volksgezondheid stevig doorgedrongen. Toch ben ik nog lang niet tevreden over het bewustzijn van de effecten van hittestress en de klimaatveranderingen. Overheden en politici denken nog steeds dat met wat maatregelen de problemen snel en definitief oplosbaar zijn. Dat blijkt uit hun woordgebruik dat gericht is op geruststellen in plaats van bewust maken. Woorden als klimaatbestendig en hittebestendig en veilige dijken laten zien dat ze denken dat, als iets aan de normen voldoet (wat die ook mogen zijn voor klimaat- of hittebestendig), het probleem is opgelost. Wat zijn voor politici veilige dijken? In Zuid-Holland was dat als de kansen op een overstroming eens in de 10.000 jaar zijn. In West-Brabant eens in de 1250 jaar. In Geertruidenberg eens in de 3000 jaar en in sommige delen van de Maasvallei eens in de 250 jaar. Er zijn geen absoluut veilige dijken. Net zo min als er klimaatbestendige of hittebestendige steden zullen zijn. Tegen de echte extremen hebben we, met de kennis van nu, voor nu en voor de nabije toekomst geen oplossingen. Maar we kunnen onze leefomgeving wel met tal van maatregelen klimaat- en hittebestendiger maken. Om met Jan Terlouw te spreken samen kunnen we dat.

In het congres waren tal van werkbijeenkomsten. Ik ben er zelf naar twee geweest. “hoe kan water in de stad bijdragen aan verkoeling” gepresenteerd door het http://climatelier.net/ en naar “ontwerprichtlijnen voor de klimaatadaptieve stad”. De laatste ging vrijwel uitsluitend over vergroening van de bebouwde omgeving en de groene invulling van de openbare ruimte. Ik miste daar de aandacht voor het effect van de materiaalkeuze op de opwarming van de gebouwde omgeving. Ook het effect van kleurkeuzen werd niet genoemd. Geen enkele van de 28 werkbijeenkomsten ging over die twee onderwerpen. Ik vond dat een gemiste kans. Nu hoop ik maar dat materiaal- en kleurkeuzes op het eerstvolgende hittecongres wel aan bod komen. Dan hoop ik ook dat op één van de hogescholen of universiteiten, die bezig zijn met onderzoek naar klimaatadaptatie en hittestress, de zomer van 1976 in al zijn facetten is onderzocht. Dat onderzoek zou dan wel eens de ramp in beeld gebracht kunnen hebben, die politici in heel West-Europa er toe brengt niet meer te talmen maar aan de slag te gaan.    

Louis van der Kallen

 


OVER WATER – 142: DE NIEUWE BELASTINGVOORSTELLEN

 

| 23-06-2018 | 13.15 uur |


 

OVER WATER – 142: DE NIEUWE BELASTINGVOORSTELLEN

 

In het uit 2014 stammende OESO-rapport “Water Governance in the Netherlands: Fit for the Future?” werd geconcludeerd dat de organisatie van het Nederlandse waterbeheer goed is geregeld, maar dat het schort aan waterbewustzijn bij de bevolking. De OESO deed de suggestie om economische prikkels in te voeren door vervuilers/gebruikers meer te laten betalen.

Ik stelde over dat rapport in 2014 uitgebreid vragen aan het dagelijks bestuur van het waterschap Brabantse Delta.

Recent is verschenen een advies van de Commissie Aanpassing Belastingstelsel (CAB) met veel voorstellen tot aanpassingen van de waterheffingen. Vervuilers zullen in de toekomst meer verontreinigingsheffing moeten gaan betalen. Ook groepen die direct profijt trekken van het werk van een waterschap kunnen een hogere rekening verwachten. De CAB voorstellen zijn forse veranderingen. Eén van de veranderingen is de introductie van het gebiedsmodel als basis voor kostentoedeling. Besturen krijgen meer mogelijkheden te bepalen wie hoeveel procent van de heffingen betaald. Dat zal in de besturen stevige discussies opleveren en de besluitvorming politieker maken. Want dat gaat echt over wie betaalt wat. Hierbij gaat inkomenspolitiek steeds meer een rol spelen. Iets wat waterschappen, buiten de kwijtscheldingsregelingen, grotendeels buiten de deur hebben weten te houden.

Een andere opvallende consequentie is dat eigenaren van wegen (gemeenten, provincies, rijk en waterschappen) minder watersysteemheffing zullen gaan betalen en eigenaren van natuurterreinen juist meer. De zuiveringsheffing wordt fors veranderend. De hoeveelheid vuil en het aantal kubieke meters aangeleverd water  wordt daarin meer bepalend. Bij gezinnen zal het tarief meer naar het aantal leden van het huishouden worden gedifferentieerd. Voor tweepersoonshuishoudens betekent dat een forse daling van de heffing, voor huishoudens met vier en meer dan vier personen gaat dat een forse stijging van de zuiveringsheffing betekenen. In het huidige voorstel worden diffuse verontreinigingsbronnen, zoals die vanuit het verkeer of de landbouw, niet belast met een heffing.

Volgens de Unie van Waterschappen zal de totale lastendruk/belastingopbrengst in het toekomstige stelsel niet veranderen, wel zullen er verschuivingen van lasten optreden tussen de verschillende betalende groepen. Als de huidige voorstellen ongewijzigd worden ingevoerd, kan ieder waterschap zelf bepalen hoe hoog de uiteindelijke heffingen gaan worden. Daarbij kunnen waterschappen maximaal 15% afwijken van de richtlijnen van de Unie van Waterschappen. Het nieuwe stelsel kan naar verwachting op 1 januari 2022 in werking treden.

Ik vind de voorgestelde veranderingen van de heffingen fors. Een tweepersoonshuishouding gaat bijvoorbeeld in mijn eigen waterschap Brabantse Delta 26 % minder zuiveringsheffing betalen. Een vierpersoonshuishouding 46 % meer. Wat er voor natuurgronden meer betaald gaat worden is in de voorstellen niet per waterschap uitgewerkt, maar kan oplopen tot 1500 % meer. Dat is wel heel fors. De vraag is kunnen natuurbeheerders dit soort stijgingen wel aan. Ook voor mijn eigen gemeente Bergen op Zoom, met heel veel bossen in bezit, kan het een dure aangelegenheid worden.

Enige tijd geleden schreef ik over de waterschapslasten voor grondbezitters in het jaar 1844. Toen was de kwaliteit van de grond en daarmee het opbrengend vermogen maatgevend. Mijn eindconclusie toen was: “170 jaar geleden was de heffingsverhouding tussen landbouwgronden en natuurgronden bijna dezelfde als nu. Kijkend naar de CAB voorstellen nu, stel ik mij de vraag: hebben we het al die tijd fout gedaan of is het aanhangen van het kostenveroorzakingsprincipe een rimpeling in de tijd, een modeverschijnsel? Ik voel meer voor het profijtbeginsel in combinatie met het draagkrachtbeginsel. Ik wens de wetgever veel wijsheid toe bij de te maken afwegingen. Zelf leer ik graag van de geschiedenis, omdat ik heb geleerd dat daar veel wijsheid in te vinden is.”        

Louis van der Kallen

 


OVER WATER – 141

 

| 16-06-2018 | 11.15 uur |


 

OVER WATER – 141

 

11 juni Bestuurdersdag UvW 2018

De bestuurdersdag van de Unie van Waterschappen is altijd een mooie gelegenheid om collega’s te ontmoeten en iets te leren van wat er elders op het gebied van water speelt. Dit keer was de gastheer  het Wetterskip Fryslân en werden we ontvangen in de Grote of Jacobijnerkerk te Leeuwarden. Deze kerk bevat de grafkelder van de Friesche Nassau’s, de in Leeuwarden en Groningen residerende Stadhouders van Friesland en Groningen. De kerk is, net als Leeuwarden, een bezoek waard. Het ochtendprogramma startte met het Friese volkslied. Mocht de bestuurdersdag van de Unie ooit nog door Brabantse Delta georganiseerd worden dan wil ik graag dat de ontvangst in Bergen op Zoom is, zodat ik de geachte collega’s kennis kan laten maken met het “Merck toch hoe sterck”.

Er waren lezingen van onder andere Hans Achterhuis, milieufilosoof en van de bioloog Theunis Piersma. Het verhaal van Piersma ging over het verloren gaan van het geluid, de geuren en de kleuren in en van het landschap door de teruggang van insecten en vogels, die dat landschap kleuren. Wat mij ook trof waren de effecten van de huidige techniek van het injecteren van mest (insnijden van de grond) op de bodemkwaliteit en het bodemleven. Ook de effecten van de diepe ontwatering op de Friese laagveengronden maakte op mij indruk. Boer Brunia vertelde over hoe het anders kan met buitenpotstal en beweidingstechniek.  Het verhaal van Peter de Ruyter over het Friese Laagveen was indrukwekkend, waarbij de “Places of Hope” projecten lieten zien dat er mogelijkheden zijn om het tij te keren. Iris Kroes sloot het ochtendprogramma af met een (water)lied waarbij ze het gezelschap zich wederom tot koor liet omvormen.

Het middagprogramma bestond voor mij uit een bezoek aan het Natuurmuseum Fryslân, waarbij de nog in aanbouw zijnde onderwaterbeleving werd bezocht. Hierin worden bezoekers straks rondgereden in een Friese onderwaterwereld. De bezoeker wordt daarbij een beleving geboden als ware hij of zij een vis. Ik kom zeker een keer terug als dit geopend is. Het Wetterskip is nauw betrokken bij dit project. Daarna volgde een boottocht door de grachten van Leeuwarden die eindigde in de voormalige gevangenis van Leeuwarden.   

Het eerste deel van de rit naar huis was een beetje een pelgrimstocht. Een rit over de Afsluitdijk is voor mij iets bijzonders. De Afsluitdijk vind ik een uiting van Hollands glorie en voor mij een zichtbaar en bijna levend eerbetoon aan wat waterbeheer en dijkenbouw aan Nederland heeft toegevoegd. Staand voor het standbeeld van Cornelis Lely ben ook ik een beetje trots op wat wij ‘waterschappers’ toevoegen aan Neerlands trots.

12 juni praktijkseminar

Op 12 juni ben ik naar het praktijkseminar “de implementatie van klimaatadaptatie in steden en regio’s” op de WUR campus te Wageningen geweest, georganiseerd door het PPS netwerk. Vaak ben ik op dit soort seminars de enige waterschapbestuurder. Dit keer telde ik er vijf, waarvan drie uit Noord-Brabant. Alle drie de Brabantse waterschappen waren vertegenwoordigd. Dit laat zien dat klimaatadaptatie nu echt ook bij bestuurders tussen de oren begint te komen en men er tijd voor begint vrij te maken. Ook waren er een aantal ambtenaren van waterschappen en gemeenten aanwezig.

Het viel op dat nu ook ‘sterfte’ als één van de gevolgen van bijvoorbeeld hittestress genoemd werd. Ik ben duidelijk niet meer een roepende in de woestijn. In het verhaal van Gilbert Maas van de WUR werden, buiten de standaard gevolgen van de klimaatverandering (overstromingen, wateroverlast, hittestress en droogte), ook natuurbranden en bodemerosie genoemd als gevolgen.  Door twee medewerkers van de gemeente Ede (Koen Classen en Anoek Ruijters) werd de aanpak van de gemeente Ede gepresenteerd, die mede gebaseerd is op de klimaateffectatlas data en op de klimaateffectatlas Vallei en Veluwe. Deze klimaateffectatlas is ontwikkeld in opdracht van gemeenten, provincies, en waterschap in Gelderse Vallei, Veluwe, Eemland en IJsselvallei.

Deze aanpak is wat mij betreft een voorbeeld voor andere gemeenten en waterschappen.

Louis van der Kallen

 


OVER WATER – 140: WIE ZAL DAT BETALEN EN WINDMOLENS OP PRIMAIRE KERINGEN

 

| 09-06-2018 | 09.30 uur |


 

OVER WATER – 140: WIE ZAL DAT BETALEN EN WINDMOLENS OP PRIMAIRE KERINGEN

 

Wie zal dat betalen

Onder de kop: “geld in plaats van woorden tegen hoosbuien” was in Binnenlands Bestuur te lezen dat gemeenten, provincies en waterschappen op korte termijn geld willen zien van het kabinet om beter te kunnen optreden tegen hoosbuien. “Anders dreigen de gevolgen van de klimaatverandering vooral terecht te komen bij burgers en bedrijven.” Volgens deze lagere overheden zijn de hevige buien van de afgelopen week een ernstige voorbode van wat ons te wachten staat. Snelle maatregelen om schade door wateroverlast en langdurige droogte te voorkomen vinden zij nodig. Analyses laten zien dat als er niets wordt gedaan, we tot 2050 ruim 71 miljard euro schade tegemoet kunnen zien.

Ik ben het met de koepels van de gemeenten (VNG), de provincies (IPO en de waterschappen (UVW) eens dat haast en aanpakken nu nodig is. Maar wat let hun? De kosten komen altijd bij de burger uit. Of dat nu via de gemeentelijke belasting is of via de waterschapslasten. Betaald zal er moeten worden. Eerst naar een ander kijken, is een typisch Nederlandse manier om de verantwoordelijkheid van niets of te weinig doen op het bordje van een ander te schuiven.

Het orkest zonder naam verwoordde het al in de jaren vijftig (de herbouw jaren):

Wie zal dat betalen
Wie heeft dat besteld
Wie heeft zoveel ping ping-ping
Wie heeft zoveel geld

Er lijkt niets veranderd!

Het gaat om aanpassingen in de openbare ruimte, waardoor het water meer ruimte krijgt. Het gaat om meer groen en tijdelijke wateropslag. Bij nieuwe bouwplannen en herinrichtingen rekening gaan houden met de klimaatverandering enz. Kortom, taken waar gemeenten en waterschappen voor dienen te staan. Er is een groot maatschappelijk vraagstuk dat nu om een oplossing en aanpak vraagt. Welke overheid het werk doet en welke overheid het betaald is uiteindelijk voor de burger niet relevant. Het is altijd de burger en het bedrijfsleven die de kosten, die de overheid maakt, betaald. Waterveiligheid is bij uitstek een maatschappelijk goed en daarmee in ons land een overheidstaak. Niet lullen maar poetsen zou ik zeggen. De voorzitter van de Unie van Waterschappen vindt dat de “schop nu de grond in gaat”. Dat vind ik ook. In het besef dat uiteindelijk het de burgerij is die voor de kosten opdraait, zou ik zeggen ga aan de slag. De burger beseft heel goed dat het niet uitmaakt of hij door de hond of de kat gebeten wordt, betalen moet hij toch. Dan heeft hij er baat bij dat hij zo snel mogelijk geboden krijgt waar hij behoefte aan heeft: waterveiligheid en bescherming van zijn have en goed.

Dus ophouden met het schijngevecht over ‘wie zal dat betalen’ en aan de slag, want het werk is groot en zal vele jaren in beslag nemen. Ga aan het werk! Geen woorden maar daden! Wachten kan niet meer!

Windmolens op primaire keringen

Op donderdag 7 juni bezocht ik, op uitnodiging van Joost Pellens van Innogy, een symposium met als titel: “Samen vorm geven aan de regionale energietransitie: duurzaam, innovatief en betaalbaar.”, met een onderdeel “windturbines op primaire keringen”. In een zaal vol windmolen-enthousiasten zag ik een bijzonder sheet voorbij komen met de titel “Wat is een faalmechanisme” met zeven faalmechanismen van dijken. Er werd uitleg gegeven over de combinatie van de dijkverbetering van de Oostpolderdijk en de plaatsing van drie windmolens daarop. Als de dijkverbetering is voltooid en de molens geplaatst zijn, kan het een goede zaak zijn ter plaatse eens een werkbezoek af te leggen en alle ins en outs nader te bekijken en hoe daarmee als dijkbeheerder om te gaan.

Een aantal onderdelen van de presentatie vond ik verwarrend omdat door elkaar termen worden gebruikt als ‘op’ en ‘in’ de dijk. Ik ken locaties waar bomen op een dijk staan en toch niet in een dijk. Dat kan omdat de dijk een formeel profiel heeft en de bomen staan in een laag grond die daarop is aangebracht. Wat onderbelicht bleef zijn de beschermingszones van een dijk (voor en achter de dijk) en wat die voor kansen zouden kunnen bieden. Voor waterschappers is een windmolen op/in een dijk iets beangstigend. Geen gedonder of risico’s nemen met een dijk is het uitgangspunt voor velen. Ook voor mij. Toch moet je bereid zijn ook naar die mogelijke multifunctionaliteit te kijken.

Het symposium werd opgeluisterd door de Sandlake City Jazzband. Zes mannen die met liefde, plezier, ritme en gevoel musiceerden. Van hun muziek heb ik genoten. Wat zouden zij een mooie aanvulling zijn voor het jazzweekeinde van Bergen op Zoom of Breda.

 

Louis van der Kallen

 


OVER WATER – 139: WATER WEBSITES VOOR SCHOLIEREN

 

| 02-06-2018 | 11.00 uur |


 

OVER WATER – 139: WATER WEBSITES VOOR SCHOLIEREN

 

De Denker van Rodin met spiegeling

De afgelopen week was wateroverlast door stortbuien bijna dagelijks in het nieuws. Ook kleine projecten in jouw omgeving kunnen een bijdrage leveren de overlast in de toekomst te beperken. Denk mee. Praat er over op school of met buurtgenoten en ga zelf op onderzoek uit naar wat er in jouw stad, dorp, buurt, straat of tuin zou kunnen. Denk mee! Als je in West-Brabant woont of studeert, ben ik altijd bereid mee te denken.

Ik onderzoekwater.nl biedt HAVO en VWO scholieren hulp bij het maken van een profielwerkstuk over water. De website geeft ideeën voor werkstukken die gaan over water. Het onderzoek wordt uitgevoerd bij een waterschap, waterleidingbedrijf of gemeente. Onderwerpen zijn ingedeeld in thema’s als drinkwater, klimaatverandering, water en natuur, overstromingen. Zoek je naar een onderwerp voor een werkstuk over ‘water’ dan is dit een pracht van een website om inspiratie op te doen.

Een andere website waar scholieren ideeën op kunnen doen voor werkstukken is http://waterwindow.org/

Is een gehele school op zoek naar een lange termijn onderwerp om leerlingen te betrekken bij hun omgeving en het klimaat dan is “meet je stad” een idee uit Amersfoort mogelijk iets om na te volgen. Klimaatverandering is een thema wat aan de orde zou moeten komen bij de inrichting en gebruik van de (openbare) ruimte. De gevolgen zijn groot voor Nederland. Maar wat betekenen al die veranderingen voor je eigen omgeving? Hoe warm is het in jouw straat? En een paar straten verderop? Hoe kunnen we per wijk of buurt bepalen wat er nodig is om in de toekomst zo weinig mogelijk negatieve gevolgen van klimaatverandering te ondervinden? Is er nu soms al sprake van  wateroverlast of hittestress? Wat kan eraan, per wijk, straat of buurt gedaan worden? Mogelijk kun je samen met anderen uit de buurt of met je school in samenwerking met de gemeente voor meer groen in je wijk zorgen, zodat het water wordt opgenomen bij hevige regen en de straat koeler blijft bij hitte.

Louis van der Kallen